Landelijke Gedichtendag was een groot succes

Van het parlement tot in de supermarkt gaven Nederlanders zich gisteren over aan de poëzie. In Rotterdam presenteerde Gerrit Komrij zijn poëzietijdschrift `Awater' en Groningen kreeg zelfs een officiële stadsdichter.

,,Met onzekere letters schrijft iemand in een schrift/ dat 's nachts onder zijn kussen ligt:/ `Hij nadert, nu nadert hij echt,/ de vrede'.'' Met deze dichtregels van Toon Tellegen opende voorzitter Jeltje van Nieuwenhoven gisterochtend de plenaire vergadering van de Tweede Kamer. Het was dan ook de derde Landelijke Gedichtendag, georganiseerd door Poetry International. Door het hele land gaf de bevolking zich over aan het declameren, schrijven, beluisteren en uitdelen van poëzie. Ook de middenstand deed mee: in Zeist gaf een winkel voor ondermode het gedicht `De korsettenwinkel' van Annie M.G. Schmidt aan de klanten cadeau, in Apeldoorn kreeg men liefdespoëzie in de bloemenwinkels, en in Groningen droegen leden van de poëziegroep De Minnaar m/v voor in de Albert Heijn.

In Groningen werd gisteravond tijdens de vierentwintig uur durende Poëziemarathon bekendgemaakt wie de eerste officiële Groninger stadsdichter is: Bart FM Droog. Hij zal de taak (minimaal vijf gedichten per jaar `over actuele gebeurtenissen') voor twee jaar vervullen. Droog wordt in zekere zin de collega van de Dichter des Vaderlands, Gerrit Komrij, die als sleutelfiguur van de Gedichtendag op meerdere plaatsen in het land werd gesignaleerd. Zowel 's ochtends in Rotterdam als 's middags in Amsterdam presenteerde hij het `eerste' exemplaar van het poëzietijdschrift Awater. 's Ochtends werd dit exemplaar in ontvangst genomen door iemand met een bijzondere naam: G.A. Awater. Komrij citeerde daarbij, naar waarheid, Nijhoffs woorden: ,,Nooit zag ik Awater van zo nabij.''

Wat wil nu het geval: in 1994 stond in het Cultureel Supplement van deze krant een ingezonden brief van dezelfde G.A. Awater uit Delft. Awater ging in op een artikel van Kester Freriks, die zijn vergeefse zoektocht naar de naam Awater in Utrecht had beschreven; in Nijhoffs gedicht Awater wandelt namelijk een kantoorklerk met die naam door Utrecht. De briefschrijver informeerde aan het einde van zijn brief langs zijn neus weg, of iemand niet een woning voor hem wist in Utrecht, zodat die stad toch nog haar eigen Awater zou krijgen. Meer dan zeven jaar later blijkt G.A. Awater inderdaad in Utrecht te wonen, wellicht dankzij zijn ingezonden brief. Komrij bedacht dat het een aardig idee zou zijn, het eerste exemplaar van zijn poëzietijdschrift aan deze heer aan te bieden. De vader van G.A. Awater was speciaal voor de gelegenheid uit Amerika overgevlogen.

's Avonds op de dichtersmarathon in de Rode Hoed in Amsterdam las dichter Mustafa Stitou enkele gedichten voor van jongeren, geschreven voor het project School der Poëzie. Stitou prees de `verrassende, weerbarstige zinnen' van de jonge dichters, en terecht: één van de gedichten begon met de regel ,,Ik ben negen jaar en ik wil mafia worden in Turkije.'' K. Schippers ontregelde de zaal met een gedicht dat louter uit voorzetsels bestond en Hugo Claus, auteur van de Gedichtendagbundel, las het lange, erotische gedicht `Nu nog'. De sprakeloze stilte die Claus achterliet werd verstoord door vals gezang: het was Diana Ozon, die de marathon aan elkaar moest praten, en daarbij in het geheel niet gehinderd werd door haar eigen incompetentie. De verrassing van de avond was de Turkse dichter Nesan Erdogan, nog ongepubliceerd, die een gedicht voordroeg ,,over een Koerdische dichteres die ik heel goed vind'': ,,In je stem worden zonen overhoop geschoten/ en huilen alle moeders.''