Joy Williams' wraakgodinnen

In een van de bitterste verhalen uit Joy Williams' bundel Taking Care (1982) gaan de meisjes Dan en Jane uit twee ontwrichte gezinnen met de ouders van Jane op vakantie. Het is geen onbekommerd plezier dat ze beleven. Als Dan tegen het einde van de trip Jane's vader vraagt of hij denkt dat Jane en zij voor altijd vriendinnen zullen blijven antwoordt deze gedecideerd: `,,Absoluut niet. Jane zal geen vrienden hebben. Ze zal echtgenoten hebben, vijanden en advocaten.' Hij kauwde de ijsblokjes luidruchtig fijn tussen zijn tanden. ,,Ik ben blij dat je van deze zomer genoten hebt, Dan, en ik hoop dat je geniet van je jeugd. Als je volwassen wordt daalt er een schaduw neer. Alles is zonnig en dan komt er ineens zo'n grote godvergeten vleugel of zo tussen jou en de zon'.'

Williams, een veelbelovende schrijfster in de jaren tachtig, publiceerde in de afgelopen decennia niet meer dan twee boeken, maar met haar nieuwste, The Quick & the Dead toont ze aan zowel stilistisch als thematisch nog steeds een kaarsrechte koers te voeren. Het zijn inadequate, normloze ouders en vroegrijpe, wraakzuchtige kinderen die The Quick & the Dead bevolken. Hoofdpersonen zijn drie moederloze meisjes, Alice, Annabel en Corvus, die als een trio wraakgodinnen de wortelloze omgeving van Arizona (de flaptekst zegt Texas, maar ik meen het weer eens beter te weten) hun kinderlijke maar allerminst onschuldige wil proberen op te leggen. Voorop loopt de permanent woedende Alice, wier dierenactivisme even inconsequent als radicaal is. Zo ziet ze even weinig bezwaar in het doden van katten als in het uitspreken van teksten als `Voor de meeste inwoners van moderne geïndustrialiseerde naties vindt het contact met andere soorten hoofdzakelijk plaats aan de eettafel.' Ze is sowieso gezellig als disgenote. `Dit eten had ooit een gezicht,' is een andere favoriete conversation stopper van haar. En inderdaad, de dood is overal in dit boek, en met een morbiditeit die vaak verfrissend geestig is.

Corvus, wier ouders verdronken zijn na een auto-ongeluk, gaat als vrijwilliger werken in het verpleegtehuis Green Palms, (`a state-of-the-art End of the Trail') waar het lijden van de mummelende bijna-doden alleen maar verergerd wordt door de wrede Zuster Daisy. Enkele bijfiguren sterven een gruwelijke dood. Corvus' vroegere buurman bijvoorbeeld, die haar hond heeft gedood en enkele hoofdstukken later door Alice's gruwelijke wraak wordt getroffen. En dan is er natuurlijk Ginger, Annabels overleden moeder, die zich met een pijnlijke regelmaat en bittere monologen als een nachtelijk visioen aan haar man vertoont, met als onuitgesproken doel dat hij haar maar snel mag volgen.

The Quick and the Dead is, hoezeer ik ook aarzel met dit soort uitvergrotende statements, een fabel over een Amerika waar met het verdwijnen van de moeders de ontworteling totaal is geworden. Er komt in dit boek niemand, maar dan ook geen enkele volwassene voor die in de verste verte op enig sociaal gevoel of gemeenschapszin betrapt kan worden – de weliswaar dwaze maar in elk geval redelijk verantwoordelijke grootouders van Alice uitgezonderd.

Het is al eerder opgemerkt dat voor Joy Williams, evenals voor haar literaire voorouder Flannery O'Connor, het verhaal een beter vehikel lijkt te zijn dan de roman, en deze bundel draagt argumenten aan voor die stelling. In zijn wilde assemblage van vaak uiterst spectaculaire scènes, die te lezen zijn als elkaar overlappende verhaallijnen, lijkt het boek vaak behoefte te hebben aan een middelpunt, of één hoofdpersoon die wat boven de rest wordt uitgetild. Maar je kunt ook zeggen dat het boek is als het leven aan de rand van de woestijn van Arizona zelf: los, fragmentarisch en vervuld van tot woede gesublimeerde angst.

Joy Williams: The Quick & the Dead. The Harvill Press, 308 blz. €32,–