Jagen in het Vondelpark

In commentaren over de aanstaande vernieuwingen in de Nederlandse politiek valt van tijd tot tijd de naam Hadjememaar. Wie was Hadjememaar? De beroemdste Amsterdamse bedelaar, Eigenlijk heette hij Cornelis de Gelder. Hij deed alsof hij straatmuzikant was, liep `s zomers langs de terrassen van het Rembrandtplein en omstreken, en hij maakte muziek op een zelfgemaakt snareninstrument dat bestond uit een kistje waarover een paar touwtjes waren gespannen. Zijn portret, een foto, toont een man van een jaar of zestig met een klein gleufhoedje, een witte baard die als een kraag om zijn kaken groeit, en de vage blik van de alcoholist die nog juist toerekenbaar genoeg is om te vermoeden dat hij de lachers op zijn hand heeft. Onder zijn arm het kistje. Zijn bijnaam dankte hij aan de uitroep waarmee hij ieder nummer besloot: Hadjememaar! Zijn historische faam dankt hij aan de kunstenaar Erich Wichman en zijn vrienden, die hem bij de raadsverkiezingen van 1921 tot lijsttrekker van de Rapaille-partij hadden benoemd.

Belangrijke punten uit het partijprogramma waren de afschaffing van kunst en wetenschap, afbraak van de urinoirs en in plaats daarvan grootschalige aanplant van bomen, vrij jagen en vissen in het Vondelpark, de 5-cents borrel en alles gekookt in jenever. De partij had ook een krantje, DE RAAD. `Bewaar dit blad, `t wordt geld waard'. De opening van het eerste nummer bestond uit de tekst van het Jajem-Lied: `k Bezing u, nooble alcohol! M'n zak is leeg, m'n hoofd is vol, Van de jenever. O, Hollands milde hartetroost, Bekend in West, Bekend in Oost: Broeder jenever. (-) Vecht tot geen ziel het overleeft, Tot d'aarde bloed gedronken heeft, Als gij jenever. Tot `t stinkend goor Hollands moeras Geworden is één rooie plas Walmende jenever - Eén Hollander blijft dan bestaan: I-k-z-e-l-f, en ik bezuip me aan Een vat jenever'. Wichman leeft voort, behalve door zijn kunstzinnige en politieke ondernemingen, als fel bestrijder van het melk drinken. (`Het witte gevaar').

Ik citeer uitvoerig om te laten zien dat aan de bedoelingen van Wichman niet kon worden getwijfeld. Bij de verkiezingen kreeg de Rapaille-partij 14.246 stemmen. Bolwerken bleken de Jordaan en de Eilanden te zijn. Cornelis de Gelder was inmiddels wegens openbare dronkenschap opgepakt en zat in Veenhuizen, bijgenaamd de Krententuin, zodat nummer twee op de lijst in de gemeenteraad kwam, Bertus Zuurbier, afkomstig uit de anarchistische stroming De Veelbelovers. Hij was colporteur van het blad De vrije socialist. Voor dit krantje kwam dat goed uit, want als raadslid had Zuurbier een gratis tramabonnement en zijn telefoonrekening werd door de gemeente betaald, wat een belangrijke kostenverlichting voor De Vrije betekende. Als principieel anarchist boycotte Zuurbier de raadsdebatten, verscheen alleen voor het presentiegeld. Hij heeft één keer het woord gevoerd. Ik heb twee versies. De ene luidt: `Mag het raam een beetje open.' De andere: `Kan het raam dicht.'

In mijn stukje van vorige week heb ik iets geschreven over Bertold Brechts Driestuiversopera, in het bijzonder het dramatisch hoogtepunt, als de optocht der bedelaars de feestelijke kroningsoptocht kruist. Nu gaat het weer over kunst en politiek. Wichman was, zoals veel kunstenaars, een anarchist van nature, die niets op had met het praatjes maken, waaruit nu eenmaal een groot deel van het democratisch proces bestaat. Hij voelde zich verwant met de Italiaanse futuristen en de zijnen. Hij werd bewonderaar van Mussolini, raakte in edelfascisistisch vaarwater, bleef ongezond leven. Zijn einde is Hollands en heldhaftig. Eind 1928 stonden de dijken van de Vecht bij Breukelen op het punt van doorbreken – waarschijnlijk na veel regen, dat wordt nergens vermeld. Wichman hielp mee met het versterken. De overstroming werd voorkomen. De kunstenaar-politicus is op nieuwjaar 1929 aan longontsteking gestorven.

Als Wichman voortleeft dan heeft hij dat het meest te danken aan zijn geëngageerde acties, zijn politieke interventies. Praktisch in zijn eentje is hij jarenlang een protestpartij geweest, met vaak een goed instinct voor de mogelijkheden die de tijd hem bood. Het was anders dan wat we nu beleven. Je kunt zeggen dat hij op tijd is gestorven, zonder iets te hebben meegemaakt van wat in 1933 pas ernstig is begonnen. Aan Hitler had hij geen boodschap gehad, waarschijnlijk, want zeker weet je zoiets nooit. Zijn protest was `ludiek', zouden we nu misschien zeggen. Het had niets van het serieuze, tegelijkertijd kwibus-achtige van wat we op het ogenblik meemaken. Wat zou Wichman nu hebben gedaan? Niet niks. Maar wat, dat zullen we nooit weten. Het stellen van de vraag is een bewijs dat hij nog niet voorbij is.

(Feiten heb ik ontleend aan Frand van Burkom en Hans Mulder, Erich Wichman 1890-1929, tussen idealisme en rancune en persoonlijke correspondentie, Arthur Lehning en W.J.de Jong)