In de nacht

Het was in 53,

Een akelige tijd.

Toen raakte onze Maarten

Zijn lieve zusje kwijt.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

Het was een koude winter,

De wind woei dagenlang.

Het regende en 't sneeuwde

En iedereen was bang.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

De wind, uit het noordwesten,

Joeg over de Noordzee.

Het water kwam steeds hoger.

De dijk brak zo in twee.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

Het water stroomde binnen,

Met vreselijke kracht.

Er viel niets te beginnen.

Het kwam zo onverwacht.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

Er werd gegild, geroepen,

De klok die werd geluid.

De wind die loeide harder,

Kwam boven alles uit.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

Zusje, ben je wakker?

Ja broertje, slaap je niet?

Overal is water,

Al water wat je ziet!

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

Het water kwam steeds hoger,

Ze klommen op het dak.

De pannen gingen schuiven.

Er was nog iets dat brak.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

Waar ben je nu? riep Maarten.

Hij huilde en riep heel hard.

Hij zag niets dan water.

Het was zo zwart, zo zwart.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.

Het is nu lang geleden.

Vergeten doe je niet.

Hij heeft heel veel gebeden.

Verdriet blijft toch verdriet.

In de nacht, in de nacht, in de nacht.