Het lied van de zakdoek

Het was koud bij dit afscheid.

Ze zoenden bij de trein.

Hij zei dat zij de zijne

en hij van haar zou zijn.

`Voel de kou van mijn tranen.

Wat moet ik, lieve schat,

zonder jou, en zoveel dagen –'

en of hij een zakdoek had.

`Stuur me woorden met de wind:

dat je mij je liefste vindt

en voor altijd bij me blijft.

O, ik wil dat je dat schrijft.'

Het was koud bij dit afscheid.

Ze wuifde nog een keer

en de kus op haar hand

haalde zijn mond niet meer.

In de kou bleef hij achter.

Zijn wangen waren nat

en zijn neus begon te lopen

nu zij zijn zakdoek had.

`Stuur me woorden met de wind:

dat je mij je liefste vindt

en voor altijd bij me blijft.

O, ik wil dat je dat schrijft.'

Het was koud na dit afscheid.

De liefde ineens bekoeld.

Hij bleek meteen vergeten

wat hij net had gevoeld.

Hij keek koud, onbewogen

hoe zij moederziel alleen

met de trein en zijn zakdoek

uit zijn leven verdween.

`Stuur me liefde met de wind:

dat je mij je liefste vindt

en voor altijd bij me blijft.

O, ik wil dat je dat schrijft.'

Het was koud, het was donker.

De man keek naar de klok

en zag nog net het wonder

vóór hij naar huis vertrok.

Uit de kou kwam een zakdoek

als een herfstblad naar benee,

bleef liggen voor zijn voeten.

Hij nam haar tranen mee.

Stuur me woorden met de wind:

dat je mij je liefste vindt

en voor altijd bij me blijft.

...

Ik weet dat jij me nooit meer schrijft.

Woorden in de wind.

Woorden in de wind.

(op muziek gezet door Nico Arzbach)