Het is allemaal de schuld van Emma

De aanslag op New York deed niet alleen de wereld beven, maar ook de laptops van Franse intellectuelen. Twee van hen schreven duizelingwekkende essays over planetaire oorlog, nihilisme en Emma Bovary.

André Glucksmann, in de jaren zeventig een van de boegbeelden van de postmarxistische `Nieuwe Filosofen' in Frankrijk, begint zijn boek over 11 september veelbelovend: `De emoties in toom houden. Dat is de opzet van dit project.' Dat blijkt gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ook Glucksmann ontkomt in Dostoïevski à Manhattan niet aan de opgewonden dramatiek waardoor de krantenkolommen in de eerste dagen na de aanslag werden geteisterd: `De hele smerigheid van de twintigste eeuw is neergekomen op Manhattan', schrijft hij. In het brein van Osama bin Laden ziet Glucksman de eerste `planetaire oorlog' werkelijkheid worden, `de derde wereldoorlog waar het nihilistische islamisme van droomt'. Hij is daarbij overigens nog voorzichtig vergeleken met de socioloog Jean Baudrillard, die op de elfde september maar liefst een vierde wereldoorlog zag uitbreken. In een kort essay, eerder verschenen in Le Monde (en in Nederland in De Groene Amsterdammer) en nu onder de titel L'esprit du terrorisme als brochure uitgebracht bij Galilée, noemde hij de aanslagen op Amerika de logische terugslag van de economische en culturele mondialisering. `De wereld zelf komt in opstand tegen de globalisering', en daarin `verklaart het westen zichzelf de oorlog', schreeft Baudrillard met onmiskenbaar dialectische brille. De mondiale liberalisering slaat om in een `globale politiestaat' en `het spektakel van de terreur legt ons een terreur van het spektakel' en tegelijk `de terreur van de veiligheid' op.

Na Baudrillards conclusie dat er voor deze extreme situatie enerzijds geen oplossing bestaat, maar dat het anderzijds (net als met de Golfoorlog) eigenlijk non-events betreft die helemaal niet hebben plaatsgevonden, lijkt Glucksmanns betoog een wonder en helderheid en sereniteit. Als er bij Glucksmann al sprake is van mondialisering, dan is dat er één van een wereldwijd nilhilisme, dat zich uitsluitend laat drijven door een wil tot vernietiging. Dat dit nihilisme nu het masker van de islam heeft opgezet, mag niet verhullen dat het alle grote godsdiensten altijd als een parasiet heeft vergezeld. Het is volgens Glucksmann zelfs de geheime onderstroom van de hele westerse cultuur en dreigt deze nu te verzwelgen.

Het wordt niet erg duidelijk wat Glucksmann precies verstaat onder nihilisme, dat in zijn boek in talrijke vormen verschijnt. Dostojevski is er zijn belangrijkste getuige van, naast Tsjechov en Flaubert, wiens Madame Bovary volgens Glucksmann het vleesgeworden nihilisme is. Emma heeft de band met het geloof van haar kinderjaren verbroken en leeft nog slechts voor haar eigen luimen, ongevoelig voor de macht van het kwaad en voor de schade die zij aanricht bij de mensen om haar heen. In haar onwil haar eigen werkelijkheid onder ogen te zien, vormt Emma volgens Glucksmann niet alleen het portret van de huidige westerse mentaliteit. In de radicaliteit waarmee zij met open ogen haar eigen dood tegemoet gaat, is zij ook de voorafschaduwing van de kapers die op 11 september het WTC binnenvlogen. `Emma en Atta, dezelfde strijd!' schrijft Glucksmann met de verbluffende retoriek van het grote verband.

Precies in dat laatste schuilt het probleem van zijn verklaring. Niet omdat hij met zijn klaagzang over de teloorgang van de westerse waarden en traditie weinig subtiel de conservatieve trom roert van een Untergang des Abendlandes. Maar vooral omdat 11 september voor hem, net als voor Baudrillard, uiteindelijk louter een westers drama is. De contradicties van de Europese en Amerikaanse cultuur zijn daarin explosief aan het licht getreden, ook al was daar dan een kleine islamitische omweg voor nodig.

Nihilisme

Het nihilisme van Osama bin Laden en zijn vliegende assasijnen is voor Glucksmann hetzelfde als dat van het westen, dat de achting voor zijn eigen waarden en afkomst is kwijtgeraakt. En wellicht werden zij inderdaad gedreven door de angst dat deze ontbinding ook de islam zou aantasten. Maar anders dan Glucksmann wil, en tegen alle schijn in, kan hun antwoord niet worden teruggebracht tot loutere vernietigingswil. Zij wilden iets anders, en ze wilden dat met geweld en vernietiging bereiken, maar hun laatste oogmerk was niet de ondergang van de wereld. Zij wilden slechts de ondergang van een bepaalde wereld, en verschilden daarin niet van de vele revoluties waarvan ook de moderne wereld het resultaat is.

Glucksmann heeft een gezond wantrouwen tegen revoluties, sinds hij als `nieuw filosoof' de moorddadige logica uiteenzette van denkbeelden die menen met één handgreep de wereld te kunnen vervolmaken. In zijn boek De kokkin en de menseneter uit 1975 moesten vooral Marx, Lenin en Stalin het ontgelden. In Dostoïevski à Manhattan vormen hun verre voorlopers Peter en Katharina de Grote zijn mikpunt. Niet omdat zij al een geleide economie wilden invoeren (dat wilden ze niet), maar omdat ook zij met geweld de geschiedenis naar hun hand wilden zetten en ten koste van vele doden Rusland wilden verheffen tot een moderne staat.

Terecht wijst Glucksmann op de zwarte zijde van deze moderniseringsarbeid, die ook de hedendaagse kampioenen van de Verlichting nog wel eens willen vergeten. Hij richt zijn pijlen vooral op Voltaire, die in een brief aan Katharina vaststelde dat `er in Afrika nog uitgestrekte streken zijn waar de mensen een tsaar Peter nodig hebben', maar die anders dan Diderot liever wegkeek van de prijs die daarvoor moest worden betaald.

Het verwondert niet meer dat een geschiedenis die louter omwille van haar eigen vooruitgang wordt nagestreefd, voor Glucksmann de zoveelste gestalte van het nihilisme vormt. Onbeantwoord blijft echter de vraag hoe hervormingswil die nooit geheel geweldloos is en eerbied voor menselijke levens en waarden moeten worden verenigd. Juist dat is een van de moeilijkste problemen die in het debat van de afgelopen maanden naar voren zijn gekomen.

Glucksmann buigt zich niet alleen over de Russische geschiedenis om de opkomst van het nihilisme in de negentiende eeuw te verklaren. Ook het huidige Rusland ontstelt hem, vooral de wijze waarop het in Tsjetsjenië heeft huisgehouden. Snijdend beschrijft hij de hypocrisie waarmee Poetin door de westerse mogendheden in de armen werd gesloten, terwijl een heel land onder zijn verantwoordelijkheid werd vernietigd. Dat gebeurde des te meedogenlozer toen het westen beloofd had terwille van `eeuwige gerechtigheid' net even over de grens, in Afghanistan, in Tsjetsjenië de humanitaire ogen toe te knijpen. Glucksmanns woede is des te begrijpelijker omdat hij Tsjetsjenië zelf heeft bezocht en daarvan in Dostoïevski à Manhattan indringend verslag doet. Dat komt de evenwichtigheid van het boek niet ten goede, maar Glucksmann maakt er wel duidelijk mee welke rol hij voor de nieuwe filosoof ziet weggelegd. Reflectie moet hand in hand gaan met waarneming ter plaatse.

Bernard-Henri Lévy noemt in Réflections sur la Guerre, le Mal et la fin de l'Histoire de reportage zelfs `het literaire genre bij uitstek'. Lévy liet het daar niet bij en publiceerde vorig jaar in Le Monde een vijftal reportages over `vergeten oorlogen' in Angola, Sri Lanka, Colombia, Burundi en Soedan. In zijn nieuwe boek heeft hij die gebundeld en voorzien van commentaren.

De oorlogen die Lévy beschrijft zijn conflicten die hun zin en betekenis verloren hebben en daarmee dicht in de buurt komen van wat Glucksmann `nihilisme' noemt: vernietiging louter omwille van zichzelf. De confrontatie daarmee heeft Lévy merkbaar geschokt. Hij schrijft: `In De barbaarsheid met een menselijk gezicht [waarmee hij in 1977 de `nieuwe filosofen' lanceerde] zei ik mèt Camus: ideologie veroorzaakt slachting op slachting. [..] Nu zou ik eerder willen zeggen: nee, het ergst zijn de blinde slachtingen.'

Tegengif

Hoewel Lévy's verwarring ook in dit boek zijn welsprekendheid nergens in gevaar brengt, vormt ze een aangenaam tegenwicht in een debat dat nog altijd gekenmerkt wordt door een overvloed aan stelligheden. Verrassend is de ironische kritiek van Lévy op zijn eigen vroegere parmantigheid, ook al weerhield die hem er niet van na de Amerikaanse zege in Afghanistan alweer over een mondiale democratische triomf te spreken. Dat detoneert nogal met de bijna wanhopig herhaalde uitroepen in zijn boek dat hij het `niet meer weet' en zijn constatering dat de geschiedenis in deze vergeten oorlogen niet voortgaat en evenmin aan haar einde is gekomen, maar eenvoudigweg lijkt weg te rotten.

Ook voor Glucksmann is het door Francis Fukuyama geproclameerde einde van de geschiedenis een vorm van opperste naïviteit. Het gelooft in de ene kant aan een (posthistorische) toekomst die nog slechts bestaat uit een vreedzame wereld waarin consumptie de hoogste waarde is. En aan de andere kant wendt het zich naar een (prehistorisch) verleden waarin universele waarden hebben plaatsgemaakt voor een stammenrelativisme en iedere groep zijn eigen waarheid heeft.

Het eerste geloof is dat van Fukuyama, dat meent dat de hele werkelijkheid redelijk is geworden omdat in de politiek het redelijkste alternatief werkelijkheid geworden is. Het tweede is dat van Huntington en zijn `schok der beschavingen', waarin niet de rede maar (ieders eigen) God de dienst uitmaakt. Het westers nililisme, aldus Glucksmann, wil van beide walletjes eten, zonder te zien dat het geweld nog altijd bestaat. Het koestert de illusie dat dit beperkt zal blijven tot marginale oorlogsgebieden waar de geschiedenis zichzelf heeft verteerd en die daarom buiten de realiteit vallen.

Tegenover Lévy's verwarde ontgoocheling staat bij Glucksmann een bijna wanhopig geloof in de luciditeit die het nihilisme kan keren. De literatuur, die de essentie van de nihilist heeft durven blootleggen vanaf het moment dat zij - in de woorden van Dostojevski `nergens meer over bloosde', is volgens hem het tegengif dat het westen de ogen moet openen voor zijn eigen ontbinding. De dilemma's van recht en geweld, universele waarden en particuliere culturen, handelen en terughoudendheid zijn daarmee echter nog niet opgelost. `Het nihilisme is niet onoverwinnelijk', zijn de laatste, hoopvolle woorden van Glucksmann. Zijn icoon is de vrouw die met een timide glimlach haar burqa afdeed in Kaboel. Maar dat gebeurde pas toen zij was bevrijd door de soldaten van Massoud en de bommen van de B52's.

André Glucksmann: Dostoïevski à Manhattan. Robert Laffont, 279 blz. € 25,60 Bernard-Henri Lévy: Réflections sur la Guerre, le Mal et la fin de l'Histoire, Grasset, 409 blz. € 22,80