Ground Zero als echoput

Na 11 september was het de beurt aan de commentatoren. Vóór 11 september spraken de wolkenkrabbers van Manhattan al tot de verbeelding van schrijvers en musici.

New York, New York? Waarom New York? Altijd New York?

De aantrekkingskracht van New York, en dan met name Manhattan, is nooit kernachtiger tot uitdrukking gebracht dan in de openingsscène van het boek Manhattan Transfer van John Dos Passos uit 1925. Hoofdpersoon Bud Korpenning hangt – gehavend en vermoeid na een lange reis – tegen de railing van de ferryboot en vraagt aan de man die naast hem staat hoe ver het nog is naar de stad.

,,Hangt ervan af waar je moet zijn.''

,,Hoe kom ik op Broadway?... I want to get to the center of things.''

,,Walk east a block and turn down Broadway and you'll find the center of things if you walk far enough.''

Maar dan ook geen seconde had hij over dat laatste antwoord na hoeven denken, de man die door Korpenning werd aangesproken – en die, volgens Dos Passos, een strooien hoed droeg en een wit met blauw gestreepte stropdas. Het middelpunt der dingen? O, simpel. Linksaf, dan Broadway op, en als je maar ver genoeg doorloopt kom je er vanzelf. En zo is het. Iedereen wordt als door een magneet aangetrokken door New York omdat daar het middelpunt van de wereld te vinden is. Als je maar ver genoeg doorloopt, tenminste. En de dingen daar een beetje op hun plaats blijven staan.

Onlangs kreeg ik van de Amerikaanse schrijver en cultuurcriticus Greil Marcus bij wijze van persoonlijk commentaar op de gebeurtenissen van 11 september een artikel toegestuurd dat uitsluitend uit citaten bestaat. Alsof hij – een man die anders nooit om een woordje verlegen zit – zich voor deze ene keer genoodzaakt had gevoeld om zijn woede en verbijstering te verzegelen met andermans teksten. Veertien in totaal, door Marcus opgetekend uit diverse boeken en songs, maar ook uit de mond van directe getuigen (onder wie zijn eigen dochter), en in lengte variërend van een enkele regel tot twee flinke alinea's. `In The Air' staat er als titel boven het stuk, dat begint met wat een zekere Joe Disordo had geroepen op het moment dat hij de eerste toren van het WTC uitrende en nergens meer de tweede zag staan (,,Where is the building? Did it fall down? Where is it?'') en dat, met Ground Zero als echoput, eindigt met een citaat uit het laatste hoofdstuk van Moby Dick: ,,The ship? Great God, where is the ship?''

Stuiptrekkingen

Ingeklemd tussen deze twee abrupt in vraagtekens veranderde pijlers van de westerse cultuur haalt Marcus onder meer zinsneden aan van de hard-boiled romanschrijver James Crumley, de politieke linguïst Noam Chomsky, de Reverend Jerry Farwell, de journalist Christopher Hitchens en Sinclair Lewis, schrijver van het befaamde boek It Can't Happen Here uit 1935. Maar het citaat dat mij het meest verraste – om niet te zeggen: direct omverkegelde wegens de brute kracht van het proza – kwam uit een ander, minstens even befaamd boek dat ik nooit had gelezen: Atlas Shrugged van Ayn Rand uit 1957. Als de profetesse van het `objectivisme' en de hogepriesteres van een genadeloos kapitalisme die zij was, vertelt Rand in dat obsceen dikke boek, zoals de flaptekst zegt: ,,the astounding story of a man who said that he would stop the motor of the world – and did''.

,,Naar beneden kijkend zagen zij de laatste stuiptrekkingen: de lichten van de auto's schoten wild heen en weer door de straten, als dieren die vastzaten in een doolhof en verwoed naar een uitgang zochten; de bruggen zaten verstopt met auto's, de opritten er naar toe waren aderen van opeengepakte koplampen, schitterende flessenhalzen waarin elke beweging vastliep – en het wanhopige gillen van de sirenes drong zwakjes door tot de hoogte van het vliegtuig... Het vliegtuig bevond zich recht boven de toppen van de wolkenkrabbers toen de hele stad plotseling, met de abruptheid van een huivering, van de aardbodem verdween. Het duurde even voordat ze tot het besef kwamen dat de paniek nu tot de krachtcentrales was doorgedrongen – en dat alle lichten in New York waren uitgegaan.''

De naam van de man die, uit afkeer van het oprukkende socialistische gedachtegoed, de stekker uit de wereld trekt, heet – let op de `o' en de `a' – John Galt. Terwijl de aarde langzaam in Egyptische duisternis wordt gehuld, bouwt Galt, ergens in een verborgen vallei en samen met het neusje van de zalm aan geleerden en captains of industry, aan een nieuw Atlantis. De huiscomponist daar heet Richard Halley en zijn vijfde symfonie `Deliverance' – en die gaat zo: ,,Het was een symfonie van de triomf. De noten stroomden omhoog, ze verhaalden van opstijgen en waren het opstijgen zelf, het wezen en de vorm van elke opwaartse beweging – de belichaming van elke handeling en gedachte waarmee de mens zich maar kan en wil verheffen. De zon die achter de wolken vandaan springt, maar dan in geluid. Een geluid dat de ruimte tot in de verste uithoeken schoonveegt.''

Roll over Beethoven, was mijn eerste gedachte bij het lezen van deze, overigens niet door Marcus geciteerde, passage – één die klinkt als de climax van Phil Spectors River Deep, Mountain High. Een halve seconde later gonsde mijn hoofd van de echo's uit Terrible Honesty, het standaardwerk van Ann Douglas over het Manhattan van de jaren twintig, de Jazz Age, als bakermat van de moderne cultuur; en dan met name het hoofdstukje Manhattan Rising over Skyscrapers, Airplanes, and Airmindedness. Daarin spreekt Douglas over het `strikken van de hemel' (`netting the sky') als wezenlijk voor de brandende ambitie van die tijd: Amerika als een onzichtbaar maar almachtig imperium, dat de wereld niet over land of zee verovert, maar – met behulp van zijn technologie, media en moderniseringsmonopolie – door de lucht. The sky, niet langer the limit, werd als complex van braakliggende luchtterreinen bij opbod verkocht maar tegelijk ook vereerd als het deel van de hemel dat goddank nog net aan deze zijde van het Paradijs ligt.

En de glimmende knopen in dit grote web in de sky waren de wolkenkrabbers en de vliegtuigen. F.Scott Fitzgerald heeft het in The Great Gatsby, wanneer het over wolkenkrabbers gaat, over gebouwen `built with a wish'. De Britse Mary Borden spreekt van `the scaffolding of the world of the future'. De architect Frank Lloyd Wright zag hen als `een glinsterende vertikaliteit, een voile van licht, een oogverblindend decorstuk tegen de zwarte achtergrond van de nacht'. De critica Elizabeth Kendall zag zelfs nog meer: `a soul photographed in heaven'. En ik las dat Houdini, de grote ontsnappingskunstenaar, destijds van het ene vliegtuig oversprong op het andere en zich, hangend aan een wolkenkrabber, uit een dwangbuis wist te bevrijden. En ik dacht yes: zoals een wolkenkrabber eigenlijk een vliegtuig is dat verdiepingsgewijs stilstaat in de lucht, zo is een vliegtuig niets anders dan één zo'n verdieping die zich elke seconde op een andere plek bevindt. Tot er zich plotseling twee op dezelfde plek bevinden. Dan stopt de wereld.

Bob Dylan

Het voorlaatste citaat uit de collage van Marcus betreft een couplet uit het lied High Water van Love And Theft, de meest recente cd van Bob Dylan. Het is een eerbetoon aan Charley Patton, een van de aartsvaders van de blues, die in 1929 High Water Everywhere opnam, een lied over de grote overstroming van de Mississippi in 1927 – waaruit Marcus trouwens ook enkele regels heeft opgenomen. Dylan zingt: ,,High water rising, rising night and day/ All the gold and silver being stolen away/ Big Joe Turner looking east and west from the dark rooms of his mind/ He made it to Kansas City, 12th Street and Vine/ Nothing standing there.''

Uiterst effectief, natuurlijk, dat `Nothing standing here' op die plek – waar het bij Marcus alleen nog gevolgd wordt door die wanhoopskreet uit Moby Dick, ,,The ship? Great God, where is the ship?'' De Twin Towers als de zilveren masten van een door een grote witte walvis getorpedeerd, razendsnel zinkend schip. Maar de regel die door mijn hoofd bleef spoken was een andere. ,,Big Joe Turner looking east and west from the dark rooms of his mind.'' Vanwege het beeld van die donkere kamers, zeker, en vanwege het idee dat je geest of ziel niet ergens in je zit, maar jij in hem of haar. Maar vooral vanwege de herinnering die dit zinnetje wakker riep aan mijn bezoek, nu ruim veertien jaar geleden, aan het New Yorkse appartement van Doc Pomus, de grote songschrijver (van Save the last dance for me, Teenager in Love, Lonely Avenue en tweeduizend andere, waarvan vijfentwintig voor Elvis Presley) en boezemvriend van Big Joe Turner.

Pomus begon zijn leven op krukken en was na een zware val tot zijn dood in 1991 aangewezen op een rolstoel – die echter geen enkele belemmering vormde voor zijn sociale leven. Een reeks van persoonlijke chauffeurs bracht hem op alle momenten van de dag of nacht in zijn Docmobiel naar alle muzikale uithoeken van New York, en daar tussendoor kwam de hele wereld bij hem over de vloer. Om te beginnen zijn dochter en de parade van stoute elfjes en honky tonk angels die hem verzorgden, John Lennon (die om de hoek woonde), John Belushi, Willy DeVille, Lou Reed, Neil Sedaka, Dr. John (vaak) en Bob Dylan (één keer). En dan te bedenken dat de ruimte in het met platen, cassettes, knipsels en een gigantisch ledikant volgestouwde, donkere twee-kamer appartement al op was wanneer Big Joe Turner naast hem kwam zitten. Twee Boeddha's van de blues samen op de bank – de één zwart, de ander wit, de één altijd op de vlucht voor een veelkoppig alimentatie-monster, de ander zijn en ieders rots in de branding.

Waarom mijn gedachten bij het lezen van Marcus' 11 september-collage steeds terugkeren naar West 72nd Street, waar Doc Pomus woonde – ik weet het niet. Misschien omdat zich daar dus die donkere kamers bevinden waar Dylan het over heeft, en dat die kamers – net als het WTC dat er niet meer staat en het Vrijheidsbeeld dat er nog wel staat – een middelpunt markeren van New York, zoals ik het ken. En dat, zo geredeneerd, het ware middelpunt van de wereld, the center of things waar de man uit Manhattan Transfer het over had, eerder een cirkel is. Een cirkel waarvan het middelpunt overal is en de omtrek nergens.

Misschien ben ik daarom wel zo ver doorgelopen.

De boeddha's van de blues samen op de bank

- de één zwart, de ander wit