Een dode pop onder een lila deken

Op 1 februari denk ik altijd even aan Zeeland en aan de ramp, de watersnoodramp van 1953. Volgens het bevolkingsregister is het niet mogelijk, maar ik zou zweren dat ik erbij ben geweest, op die donkere zondagochtend. Nog hoor ik het loeien van de wind. In de verte zie ik het grote gat dat in de dijk is geslagen. Het zeewater stroomt snel onze polder in. Vader maakt de beesten los, moeder tracht uit het berghok nog wat dekens te redden, en terwijl opa een matras de trap op zeult zie ik samen met mijn negen broers en zussen door het zolderraam onze hooiberg wegdrijven.

Het is alsof ik het allemaal met eigen ogen heb gezien: die desolate wereld van doorgebroken dijken, ondergelopen dorpen, noodklokken en de stormwind die aan kale bomen rukt. Alles in zwart-wit. Alles grauw en angstig. Zondvloed, eindtijd, leeggewaaide wereld. Ergens op een dijk een aangespoeld paard, de ogen wijd opengesperd. Gestaag voorbijdrijvende opgezwollen koeien. Een bos uien, een stoeltje met een rieten zitting, een kattenmand, en bijna altijd wel ergens bij wijze van schrijnend contrast: een pop, met de kleertjes nog aan, met dezelfde montere blik van altijd, alsof er niets gebeurd is die nacht.

In heel veel watersnoodrampgedichten en -verhalen komen ze voor, de poppen. Ze zullen er vast wel gedreven hebben, maar vermoedelijk wílde men ze ook graag voorbij zien drijven: als symbolen van kinderlijke onschuld. Als voorwerpen waaraan zich veel sentimenten kunnen hechten. Of, hoe schrijnend, als overlevenden, ongedeerd, de plaatsvervangers of nabestaanden van de vele honderden kinderen die bij de ramp waren verdronken.

Gerrit Achterberg ziet in zijn gedicht `Watersnood' hoe moeders hun kleine kinderen proberen te redden: `Beelden van Zadkine stonden moeders daar / baby's boven de springvloed uit te beuren.' En omgekeerd moeten de kinderen soms proberen hun ouders te redden. Maar als dat niet meer lukt, stort het gedicht zich in een draaikolk van paniek, steeds sneller en radelozer. Zonen zien hun vaders meegesleurd worden, schuren gaan scheuren en ratten en mensen beginnen door elkaar te rennen, en dan is er geen houden meer aan. `Een kind zat om haar dode pop te zeuren / en was het ogenbliklijk zelf nog maar.' Zo ging dat, je vindt het in veel verhalen terug, met alle onthutsing van dien: een pop, een kind, een heel gezin was zomaar ineens, `ogenbliklijk', weg, meegesleurd, verdwenen, dood.

Rudi van Meurs maakte het allemaal mee, als dertienjarige jongen, op het eiland Voorne. In zijn (later geschreven) verslag vertelt hij wat hij als jongen zag en hoorde. Over de plichtsgetrouwe wethouder bijvoorbeeld, die eerst het hele dorp wakker maakte en de dijken inspecteerde alvorens naar huis terug te keren om zijn eigen familie in veiligheid te brengen. Twee kinderen gingen al vast vooruit, via een binnendijk, naar een hoger gelegen plek in het dorp. Nog geen twee minuten later werd een deel van die dijk weggeslagen, het deel waar op dat moment de wethouder zelf liep, met zijn vrouw en nog zeven andere kinderen. Een van de zeven werd pas na drie maanden teruggevonden, en wel door de jonge Van Meurs zelf, die na de evacuatie teruggekeerd was naar zijn dorp om te helpen met het opruimen van de modder. `Op een stuk boomgaard, even buiten het dorp, zag ik een grote pop met kleren aan en ik liep erheen om die op te rapen. Het was geen pop. Het was een kind, zonder gezicht. Het was het lijkje van de jongste dochter van de wethouder.'

Achterbergs zeurende kind dat in een oogwenk een dode pop is geworden vindt hier een tegenhanger in een pop die een dood kind blijkt te zijn. Het zijn deze poppen, die tegelijk ook weer geen poppen zijn, waar ik altijd aan moet denken als ik, zoals vandaag, aan de watersnoodramp van 1953 denk. De pop als smartkatalysator, sentimentgeleider, leedverdunner. De vergelijking met het onschuldige kinderspeelgoed geeft de nodige speling bij het nauwelijks te bevatten leed van achttienhonderd doden, duizenden gewonden, zestigduizend daklozen, honderdduizenden in de golven verdwenen dieren en miljoenen uren angst. Tegelijk kleeft er ook iets lugubers aan de pop. Het is een namaakwezen, een kunstkind dat door zijn starheid doet denken aan een verstijfd, afgelegd, dood kind. Wilfred Smit speelt met beide betekenissen in zijn gedicht `Brief'. Een kind zoekt de omweg van haar pop om iets over zichzelf te zeggen:

Het grotestadskind schrijvend

aan haar grootvader, zegt niet:

men noemt mij mager,

een klein kreng waar straks

madelieven in een kring

omheen zullen staan –, maar:

't is erger met mijn pop

sinds u daarbuiten woont.

ach, nu is zij moegeschreven

aan grootvader – de enveloppe

omsluit haar liefderijk,

een pop onder een lila deken.

Wat een lief en inlevend gedichtje, zou je kunnen denken, over een ongelukkig meisje dat een schattig briefje aan haar grootvader schrijft, haar pop liefdevol instopt en dan zoet gaat slapen. Maar zo poezelig is het allemaal niet. Het kind wordt in de grote stad gepest, uitgescholden en bedreigd. `Kreng' is een ander woord voor een naar meisje, maar ook voor een kadaver. Met madelieven kunnen straatmeisjes bedoeld zijn, of straathoeren, maar ook kerkhofbloemen die letterlijk maden lieven, dus graag groeien op een ondergrond van lijk.

En wat gebeurt er aan het eind? Het kind schuift haar brief in de enveloppe, zoals zij haar pop onder een lila deken schuift. Of wordt zij zelf afgeschreven, in een denkbeeldige enveloppe geschoven en dichtgeplakt? Ligt zij er bij als haar pop, als een levenloos geval? En is zij daar dus het kleine kreng geworden dat in de vierde regel al behoedzaam aangekondigd werd?

Het wonderlijke is dat de dichter die twee lezingen naast elkaar laat bestaan: wrang naast kitsch, sinister naast sentiment, werkelijkheid naast verbeelding. Ze kunnen, denk ik, niet goed zonder elkaar. Misschien wisten Achterberg en Van Meurs ook heel goed wat ze zagen, maar moesten ze toch eerst een speelgoedpop verzinnen voordat ze de gruwelijke werkelijkheid onder ogen durfden te zien: niet een pop, maar een verdronken kind.