De Grote Hoop

In haar bespreking van de tentoonstelling `De Grote Hoop' (CS, 25/1) komt Janneke Wesseling ongewoon grof uit de hoek. Zij is met grote stappen door de tentoonstelling gelopen en heeft niet gezien hoe ongelijk deze 22 kunstenaars aan elkaar zijn. We zien heel verschillende eilandjes, waarboven zich een conceptueel luchtruim verheft.

Breekbaar, kwetsbaar en transcendent zijn een aantal van de kunstenaars die Wagemans heeft geselecteerd. Met één been staan ze in de kunstpraktijk en bij sommigen verkrijgt het kunstenaarschap letterlijk een immaterieel karakter. `De Grote Hoop' betekent daarom ook een utopie voor diegene die de grote stroom `authentieke schijtschilderijen' schuwen. Wesseling interviewde eens Gombrich en kreeg te horen dat zien weten is. Zij weet dat Hollandse schilderkunst euclidisch helder kan zijn. Waarom heeft Fuchs haar nog niet uitgenodigd om haar favoriete tentoonstelling te maken? In CS 17/4/98 schreef ze: ,,Je kan gemakkelijk een hoopje Nederlandse schilders bij elkaar vegen onder een gemeenschappelijke noemer.''

Marien Schouten, Stanley Brouwn, Jan Dibbets, Jos van Merendonk, Jan van de Pavert, JCJ van der Heyden, René Jolink, Hans Broek, het is maar een greep: dit is `typisch Hollandse Kunst'.