De grote Brabantse doorgever

Geprezen om zijn beeldende stijl, verguisd wegens zijn provincialisme: hoe een streekschrijver in vergetelheid raakte.

Het genre van de streekroman is door allerlei amateurs in diskrediet gebracht, stelde Parool-criticus Max Nord in 1947. Hij verdedigde Antoon Coolen, de streekromanschrijver die recht had op een afzonderlijke beoordeling en niet moest worden afgerekend op de teloorgang van het genre. De Brabantse winkelierszoon Coolen (1897-1961), opgegroeid in het katholieke Deurne, zag zichzelf niet als een streekgebonden auteur. Voor zijn laatste roman selecteerde hij een treffend motto, ontleend aan Pascal: `Le monde entier est notre ville, mais nous sommes particulièrement citoyens de la ville où nous habitons.' Wie zijn Dorp aan de rivier leest, wordt getroffen door de beeldende stijl, de laconiek-ironische toon en vooral de broeierige, zompige atmosfeer. Inhoudelijk is Coolen niet al te tuttig. Moord, doodslag, overspel, achterklap, incest, prostitueebezoek, gekmakend getreiter en dodelijke ziektes: de feelgood-factor die aan de streekroman kleeft is ver weg. Geweld wordt vaak tot in het detail beschreven. Alleen over seks werd hij nooit expliciet. In 1957 vielen er nog 155.000 kopers van zijn omnibus te tellen. Nu is zijn werk nauwelijks meer verkrijgbaar.

Op zijn veertiende krijgt Coolen een baantje als volontair bij een lokale krant. Met hart en ziel wil hij schrijver worden en na vijftien jaar ploeteren verschijnt in 1926 zijn eerste roman. Al slokt zijn journalistieke werk veel tijd op, vanaf 1927 ligt er elk jaar vóór Sinterklaas een nieuwe Coolen in de winkels. Publiek succes is er vanaf 1930: boeken als Kinderen van ons volk en De goede moordenaar beleven meerdere drukken.

De verguizing van Coolen in literaire kringen zet in met een fel stuk van Hendrik Marsman in 1932 over het peil van de Nederlandse letterkunde. Marsman noemt boeken van Coolen `onleesbaar van armoedigheid, van anecdotische Klein-Malerei, van saai en stuntelig provincialisme'. Hij beschimpt Nijhoff die schreef dat de wijze waarop Coolen een gelagkamer kan beschrijven `weergaloos' is. Anton van Duinkerken, vooraanstaand katholiek criticus en een vriend van Coolen, neemt de handschoen op. Hij schrijft dat Marsman, en met hem de Nederlandse kritiek, intellectuele, stilistische en psychologische vaardigheden ten onrechte stelt boven het vermogen een verhaal te vertellen.

Bomans

Coolen houdt zich stil in dit `regionalismedebat'. Hij is geen polemist, meent zijn biograaf Cees Slegers. Volgens hem wordt in juni 1932 het definitieve oordeel over Coolen geveld, want de groep rond Forum en de naoorlogse kritiek schat `regionale romans' niet hoog in. Hoe dat proces zich voltrekt, werkt Slegers niet uit en dat is jammer. Ter Braak is ronduit lovend over enkele romans. Du Perron is vileiner. Hij vindt `die Coolen heel leesbaar, maar zonder het minste belang'.

De vertelkunst van Coolen wordt door critici bijna unaniem geroemd, het gebrek aan samenhang in zijn romans vaak veroordeeld. Ook op dit punt schiet Van Duinkerken te hulp, door het begrip `straalvertelling' te introduceren. Vanuit de centrale locatie, een dorp, spint Coolen lijnen naar de personages.

Uit de vele aandacht die biograaf Slegers besteedt aan de kritieken, de samenvattingen die hij geeft van elk geschrift dat Coolen publiceert en de passages die hij weergeeft uit de talrijke brieven die bewaard zijn gebleven, valt op te maken dat hij een literaire biografie heeft willen schrijven. Maar tot een synthese komt het niet.

Door Slegers' opzet komt de persoonlijkheid van Coolen alleen bij toeval in beeld en daardoor ontbeert het bij vlagen zo boeiende boek een warm kloppend hart. Illustratief is een observatie van het gedrag van de dan zestigjarige Coolen, in een dagboekaantekening van Godfried Bomans, die een `heel langzaam en uitvoerig' vertellende Coolen op bezoek had. `Coolen is een man', schrijft Bomans, `die geïnteresseerd is in wat de mensen beleefd hebben, in het verleden dat ze bij zich dragen, maar toont niet de minste belangstelling in de man, die daar levend voor hem zit.' Bomans zou `iets van Coolen willen horen, maar dit komt niet, hij blijft de grote doorgever'. Slegers reageert vreemd. Hij vindt dat Coolen wel degelijk zelf waarneemt en acht Bomans `kennelijk geïrriteerd'. Maar zou ook Bomans niet oprecht meer hebben willen weten van Coolen?

Coolen wordt een gereserveerd man genoemd – in het openbaar. In kleine kring kan hij uitbundig zijn. Uit zijn overwegingen en beslissingen valt op te maken dat hij ook zijn opportunistische trekjes had, omdat hij ambitieus was en graag zijn eigen weg ging. Dat laatste maakte hem overal een buitenbeentje. Voor de dorpelingen waar hij over schreef te veel een deftige schrijver, voor de schrijvers te katholiek en voor de katholieken niet katholiek genoeg.

Bij Coolen moet het goede niet van de moederkerk komen en is God niet de oplossing voor alle problemen. Het is eerder omgekeerd: Coolen hekelt in zijn boeken huichelende pastoors, pedante onderwijzers en opgeblazen bestuurders. Zijn mededogen ligt bij het gewone volk. Een van zijn beste vrienden beweert dat hij `absoluut niet meer' geloofde: `Nachtenlang heb ik daar met 'em over gesproken, maar hij durfde er gewoon niet voor uit te komen, uit angst dat zijn lezers zich van hem af zouden wenden en hij brodeloos zou worden.'

Een deel van zijn onafhankelijke houding komt op het conto van de buurman van zijn ouders, hoofdredacteur van een plaatselijke krant en bekend om zijn sceptische houding tegenover autoriteiten. Hij brengt de tiener Coolen in aanraking met auteurs die in katholieke schoolbibliotheken ontbreken, zoals Multatuli, Nietzsche, Zola, Tolstoj en Darwin. Vanaf zijn zeventiende correspondeert Coolen met Wouter Lutkie, een dogmatische priesterstudent. De brieven tonen de worsteling van de jonge Coolen. Lutkie is enthousiast over de verhalen die Coolen hem toestuurt, maar maant hem voortdurend tot een duidelijkere katholieke boodschap. Coolen verzet zich, hij wil niet bekeren of prediken. Echt uitgesproken toont Coolen zich pas eind jaren dertig, als columnist bij `de Bossche krant'. Hij trekt van leer tegen het Italiaanse fascisme. Nazi-Duitsland, waar zijn romans het zo goed doen, blijft buiten schot.

De Sok

In 1943 solliciteert Coolen tevergeefs naar de positie van burgemeester van zijn woonplaats Waalre. Hij hoopt de invloed van de nazi's te kunnen ontlopen. In zijn na de oorlog verschenen `oorlogsdagboek' Bevrijd Nederland poetst hij de sollicitatie-affaire weg. Het is dan ook niet deze zaak die hem na de oorlog in een kwade reuk zet. Gemaand door de Kultuurkamer zich in te schrijven, meldt hij zich in een brief waarin hij zegt geen lid te willen worden. In zijn geschiedschrijving verzuimt Lou de Jong onderscheid te maken tussen melden en aanmelden en menigeen liegt vervolgens in commissie dat Coolen lid was, zelfs als De Jong zijn vergissing in latere drukken rechtzet.

In het naoorlogse neemt Coolen de rol van gearriveerde schrijver op zich. Dat is niet het spannendste deel van zijn leven. Hij is druk met prijzen, jury's en commissies en schrijft veel in opdracht. Het is voor Slegers geen reden te minderen met zijn samenvattingen. De inhoud van het gedenkboek over de kousenfabriek van Jansen de Wit in Schijndel (in de volksmond De Sok) wordt de lezer niet onthouden. Van een geheime liefde leeft de oude Coolen op, maar dat voorkomt niet dat de biografie langzaam wegzakt. Wat beklijft, is de eenzame weg van een volksschrijver en, met Max Nord, het idee dat hij beter verdient.

Cees Slegers: Antoon Coolen, 1897-1961. Biografie van een schrijver. Stichting Zuidelijk Historisch Contact Tilburg, 656 blz. € 35,85.