De eindigheid weggedanst

De val van het communisme heeft voor Oost-Europese emigranten de mogelijkheid geopend van terugkeer. Maar waarnaartoe? Milan Kundera schreef een meesterlijke roman over verandering, heimwee en terugkeer.

Valt er nog iets nieuws te vertellen over de emigranten uit het voormalige Oostblok? Sinds het communisme is verdwenen, lijkt hun ballingschap haar zin te hebben verloren en hoeft niets hun terugkeer naar het vaderland te verhinderen. Dat de zaken toch niet zo simpel liggen, laat Milan Kundera zien in zijn nieuwe roman L'ignorance, waarvan deze week - nog vóór het Franse origineel - een Nederlandse vertaling is verschenen.

Onwetendheid (zoals de Nederlandse titel luidt) is na La lenteur en L'identité de derde roman die Kundera rechtstreeks in het Frans heeft geschreven. Alleen al deze verandering van taal, voor een schrijver van kapitaal belang, doet iets vermoeden van de paradoxale positie waarin Oost- en Middeneuropese emigranten zich bevinden. Toen het communisme nog het eeuwige leven leek te hebben, hadden zij zich ingesteld op een duurzaam bestaan in hun nieuwe – westerse – vaderland. Opeens is daar nu de mogelijkheid van de terugkeer, die hun meestal met grote moeite verworven nieuwe leven volledig op zijn kop zet.

Met dit probleem krijgt Irena te maken, een van de hoofdpersonen van de roman; haar Franse vrienden verwachten niet anders dan dat zij opgetogen haar plaats in het nieuwe Tsjechië (`Bohemen') zal innemen. Haar kosmopolitische, van origine Zweedse vriend Gustaf heeft voor zijn bedrijf al een kantoor in Praag geregeld om haar de terugkeer te vergemakkelijken. In de roman keert Irena ook terug, en op het vliegveld van Parijs loopt zij een lotgenoot tegen het lijf, die zijn jaren van ballingschap in Denemarken heeft doorgebracht.

Irena realiseert zich met een schok deze Josef al eens eerder in Praag te hebben ontmoet, vóór hun beider vlucht naar het buitenland. Eén avond lang hadden zij elkaar in een kroeg verliefd in de ogen gekeken, en achteraf heeft Irena altijd spijt gevoeld dat hun kennismaking nooit een vervolg had gekregen. De gemiste kans van haar leven - dat is deze Josef op den duur voor haar geworden. Ze spreken af elkaar in Praag te bellen voor een nieuwe ontmoeting.

Kundera grijpt hun lotgevallen aan om te demonstreren hoezeer de geschiedenis het leven van een individu blijvend overhoop kan gooien, ook als het historische tij zich ten goede keert. Bezien vanuit het westen, dat van de recente geschiedenis `een heerlijk onbeduidende halve eeuw' heeft gekregen, lijkt er niets aan de hand. Maar met Kundera's emigranten speelt de geschiedenis opnieuw een wreed spel. Hoewel gevlucht voor het communisme, waren hun motieven om te vertrekken nooit alléén van politieke aard. Minstens zo belangrijk zijn psychologische motieven geweest: Irena's solidariteit met haar eerste echtgenoot Martin, Josefs vervreemding van zijn familieleden die het noodgedwongen met de communisten op een accoordje gooiden.

Na de dood van Martin heeft Irena in Frankrijk voor het eerst iets van `onafhankelijkheid' ervaren, niet langer gebonden aan haar man en aan haar dominante moeder. Josef is in ballingschap met een Deense vrouw getrouwd, die inmiddels is overleden en aan wier herinnering hij de rest van zijn leven trouw zou willen blijven. Van elkaar weten zij eigenlijk niets. Josef kan zich zelfs niet herinneren dat hij Irena ooit eerder heeft ontmoet, hij kent haar naam niet eens. Wanneer zij tenslotte in Praag met elkaar het bed delen, wordt deze `onrechtvaardige, schandalige ongelijkheid' hun fataal: op hun erotische avontuur zal geen vervolg komen.

De onwetendheid, die de beide emigranten parten speelde met betrekking tot de toekomst, herhaalt zich in hun privéleven, en dat maakt van de roman een melancholische comedy of errors, een schimmenspel van mensen die opgesloten blijven in hun eigen gedachten en verlangens, zonder veel besef van wat de ander drijft. De enige met volledig overzicht, dat is de schrijver, die hun tragi-komedie van lucide commentaar voorziet. Daarin gaat het over de Odyssee (hét grote epos over de Terugkeer), over de onbetrouwbaarheid van het geheugen, over de `wetten' van de nostalgie en over de oprukkende westerse beschaving, die muziek in alomtegenwoordig `lawaai' heeft veranderd en die van het oude Praag een goedkope `danseres' heeft gemaakt, zich `in vreemde bochten [kronkelend] onder de schijnwerpers'.

Het communisme lijkt in Bohemen vergeten, afgeschud als een versleten jas, het lijden is er niet meer in tel omdat iedereen zich tot de slachtoffers rekent, men is nog alleen geïnteresseerd in succes. Niemand brengt er belangstelling op voor de ervaringen van de teruggekeerde emigranten. Hun oude plaats kunnen zij slechts innemen, als zij bereid zouden zijn hun jaren in het buitenland te verloochenen. Een onmogelijkheid, omdat zij daaraan juist het meest verknocht zijn geraakt. Gezien de beperktheid van het menselijk leven lukt het hun niet weer opnieuw te beginnen. Daarvoor zou de mens minstens twee keer zo lang moeten leven, oppert Kundera, maar in dat geval kun je niet meer van een `mens' spreken. `Niets zou in zijn leven meer hetzelfde zijn: liefde niet, ambities niet, gevoelens niet, heimwee niet, helemaal niets'.

Het is een andere manier om te zeggen dat juist de specifieke eindigheid aan het menselijk bestaan zijn karakter geeft, zijn geluk en zijn tragiek. Iedereen weet dat, maar we hebben de literatuur nodig om het, ook zonder persoonlijke misère, tot een indringende ervaring te laten worden. Wie moeiteloos met alle veranderingen meegaat, zoals Gustaf en Irena's moeder (die elkaar dansend in de armen sluiten en zo `een leven zonder gewicht' vinden) en zoals het eveneens `dansende' Praag, verdringt het besef van deze eindigheid. Irena en Josef daarentegen, evenals Irena's oudere vriendin Milada, de enige die wèl interesse toont voor haar Parijse jaren en die ooit in de provincie om Josef een zelfmoordpoging heeft gedaan, kunnen dat niet.

Het is duidelijk dat Kundera's sympathie vooral naar hen uitgaat. Zij zijn de echte slachtoffers (al heeft Josef, gelet op zijn jeugdig `sadisme' jegens Milada, in het verleden ook aan de andere kant gestaan), slachtoffers van de geschiedenis, van zichzelf en niet in de laatste plaats van de schrijver. Als pionnen op een schaakbord worden zij door hem in hun tragische positie gemanoeuvreerd. Maar dat is het bijzondere van Kundera's meesterschap: hoe strak hij zijn personages ook aan de leiband houdt, ze krijgen tegelijk de gelegenheid om uit te groeien tot levendige, ontroerende karakters. Ondanks de geringe omvang is Onwetendheid daardoor een buitengewoon complexe roman geworden, een onnavolgbaar mozaïek van verhaal en meditatie, dat veel te denken geeft.

Uit zijn essaybundels De kunst van de roman en Verraden testamenten kennen we Kundera's literaire voorbeelden: naast Cervantes, Broch en Kafka vooral de speelse, polyfone, intelligente achttiende-eeuwse romans van Sterne en Diderot. Deze kwaliteiten (die ook in Onwetendheid niet ontbreken) verdragen zich uitstekend met de kalme, elegante stijl, waarin Kundera de terugkeer van zijn Tsjechische emigranten heeft beschreven. Hoe die stijl precies in het Frans klinkt, weet ik (nog) niet, maar dankzij het voortreffelijke Nederlands van Martin de Haan kostte het mij geen enkele moeite om te vergeten dat ik een vertaling las en niet de oorspronkelijke tekst.

Milan Kundera: Onwetendheid. Vertaald uit het Frans door Martin de Haan. Ambo, 132 blz. €17,90