Blanktande koningin

Het zal mij benieuwen welke dichters zich voor 900 Europese zilverlingen hebben laten strikken om met een gelegenheidspoëem voor het koninklijk bruidspaar bij te dragen aan het huwelijkscadeau dat de Amsterdamse burgemeester Job Cohen morgen zal aanbieden. De dichters zijn gerecruteerd uit oud-winnaars van de Herman Gorterprijs, een van de kunstprijzen van de gemeente Amsterdam. Voor K. Michel (winnaar in 1995, met Boem de nacht) was de Gorterconnectie reden genoeg om te weigeren. Omdat Gorter ,,naast dichter ook een gedreven communist was en een tegenstander van de monarchie'', schreef hij aan het Amsterdamse Fonds voor de Kunst, leek het hem niet gepast ,,onder het vaandel van zijn naam een gedicht te schrijven voor het prinselijk bruidspaar.''

Gelijk heeft hij.

Gorter moest, eerst als socialist en later als communist, niets hebben van het koninklijk huis en anders dan zijn partijgenote Henriette Roland Holst heeft hij ook nooit een gedicht aan een van de leden ervan opgedragen. Roland Holst daarentegen schreef ter gelegenheid van Wilhelmina's vijftigjarig regeringsjubileum in 1948 een ode van twaalf coupletten voor de koningin als bijdrage aan het officiële gedenkboek. Gorter, toen al ruim twintig jaar dood, reserveerde zijn lofdichten voor Karl Marx en mooie vrouwen. Met Máxima alléén had hij vast wel raad geweten, zeker met een schaatsende Máxima.

Ook premier Kok raakte opgewonden bij het idee dat Willem-Alexander zijn warmbloedige Argentijnse op het ijs ten huwelijk heeft gevraagd. Tijdens het diner dat het kabinet vorige week in de Ridderzaal aanrichtte ter gelegenheid van Het Huwelijk reciteerde hij het prikkelende sonnet Schaatsenrijden van Gerard den Brabander: `De burgerij rijdt zwierend op en neder/ Het kort bestek der zwart bevolkte baan/ Men voelt het bloed snel, eleganter slaan/ een hoffelijke jonkman knielt vertederd/ voor zijn beminde en bindt haar schaatsen aan;/ hun armen strenglen zich verliefd en teder/ zij zetten af; ze wiegen heen en weder/ en zien elkaar verrukt en glanzend aan.'

Ik vraag me af of Herman Gorter gezwicht zou zijn – niet voor de 900 euro's, maar voor Máxima's charmes en de schaatserotiek – als hij nog had geleefd en men hem om een gelegenheidsversje had gevraagd. Vermoedelijk had zijn republikeinse dogmatiek het gewonnen (zelfs de gedomesticeerde Henriette Roland Holst weigerde nog op haar tachtigste om principiële redenen een koninklijke onderscheiding), maar hij zou de premier vast wel hebben toegestaan een paar regels van hem in zijn tafelrede op te nemen. Uit een gedicht dat hij toch al had liggen, over een schaatstocht die hij ooit met een beminde vriendin maakte en die – 't schijnt autobiografisch te zijn – eindigt met een op het ijs uitgevoerd liefdesspel. `Toen bliezen de poortwachters', luidt het begin van Gorters beroemdste ijs-gedicht, waarvan het slot geknipt is als ode aan een aanstaande, op het ijs ten huwelijk gevraagde, koningin: `De wereld was een blauwe en witte zale,/ daar stond een sneeuwbed tintelsneeuw midde'in,/ uw goudhoofd naar zwaanveren ging te dalen –/ lachende laagt ge, over het veld,/ handblanke, blanktande, trantele koningin.'

Misschien gaat het nog vriezen deze winter en kan Willem-Alexander hier nog iets van leren.