Veldslag in de Damstraat

De inhuldiging van Beatrix 1980 was de apotheose van het politieke kraakverzet. Pas acht jaar later durfde zij weer spontaan in Amsterdam te wandelen.

Er was eens... een tijd dat rellen in Amsterdam een maatschappelijke component hadden. Een tijd dat ongeregeldheden op een dag, die louter feestelijk zou moeten worden, zich niet beperkten tot een avondje bezopen knokken omdat er geen treinen reden, maar een voor- en naspel hadden.

Zoals het huwelijksjaar 1966 in het teken stond van Gezag en Politie, zo draaide het in regeringsjaar 1980 om het Kraken en de Rechtsorde. Net als veertien jaar eerder was het ook nu niet alleen hommeles op 30 april, de woensdag waarop koningin Juliana abdiceerde en Beatrix werd ingehuldigd. Het broeide al langer. Kwalitatieve woningnood (geen jongerenhuisvesting), economische stagnatie (begroten op aardgasbaten), cultureel pessimisme (no future) en Bistroquet-politiek (bestek '81): stuk voor stuk aanleidingen voor confrontaties die de oevers van de rechtsstaat te buiten gingen.

De leuze geen woning/geen kroning – uitmondend in een veldslag bij de Kinkerbuurt, het Waterlooplein, de Damstraat en het Rokin – was de apotheose van de vergaande politisering die na 1966 over Nederland vaardig was geworden. Een apotheose omdat de kroningsrellen op de keper beschouwd het einde inluidden van datzelfde tijdperk. De climax was namelijk al geweest: in het weekeinde van 1 en 2 maart, toen de buurt rond een gekraakt pand in de Vondelstraat was veranderd in een soort Oranje Vrijstaat die zelfs de stoutste dromen van de Kabouters uit 1970 zou hebben overtroffen.

Tien jaar eerder was het ondenkbaar dat een punkige man, een jongetje nog, tegen een etalage urineerde en daarna opgelucht afschudde door met zijn legerschoenen de ruit aan diggelen te schoppen. In 1980 gebeurde het. Burgemeester Polak maakte daaraan een einde met gepantserd materieel en zonder ruggespraak met de politieke leiders die zich dagenlang súf hadden onderhandeld. Het pamflet dat hij 's nachts liet verspreiden getuigde van de toestand waarin Amsterdam zich bevond. `De colonne – eenmaal in beweging – kan niet worden gestopt.'

Operationeel had Polak ongelijk. Op 30 april liep de colonne namelijk vast. Toen demonstranten, al dan niet gemaskerd en gehelmd, vanaf de Dokwerker optrokken naar de Dam, ging het bij de Blauwbrug al mis. De uitbarsting die in de loop van de middag volgde, was ook voor Amsterdam ongekend. Het gefluit tijdens de balkonscène in het Paleis op de Dam en de charges 's ochtends op de hoek Kinkerstraat/Bilderdijkstraat bleken kinderspel te zijn geweest. Ternauwernood wist de politie de Nieuwe Kerk en omstreken droog te houden. Het had niet veel gescheeld of er zou met scherp zijn geschoten, onthulde politiecommissaris De Rhoodes later.

Maar maatschappelijk had Polak gelijk. Op 5 mei 1980 voltrok zich het vonnis over de `autonomen'. Bij de 35ste verjaardag van de bevrijding werden de Canadese veteranen in hun open jeeps bij de Berlagebrug massaal toegejuicht. Amsterdam keerde zich naar binnen. Polak zag het gebeuren en wist: het is voorbij.

Koningin Beatrix zou pas op Koninginnedag 1988 een min of meer spontaan wandelingetje door de stad maken. En in de tussentijd zou de ME nog vaak en in vol ornaat op straat verschijnen.