Goldhagen rekent af met oorlogspaus

Volgens historicus Daniel Goldhagen, die eerder de Duitsers aan de schandpaal nagelde, is de katholieke kerk medeverantwoordelijk voor de holocaust.

Daniel Goldhagen roffelt weer op zijn trom. Nadat hij in zijn geruchtmakende boek Hitler's Willing Executioners gewone Duitsers de schuld gaf van de holocaust, is nu de beurt aan de katholieke kerk. Volgens de Amerikaanse historicus heeft het christendom met zijn ingebakken antisemitisme de kiem gelegd voor de jodenvervolging tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Het nieuwe boek, A Moral Reckoning: The Catholic Church During the Holocaust and Today, verschijnt dit najaar bij uitgeverij Knopf, maar Goldhagen is alvast met de afrekening begonnen in een uitgebreid artikel in het Amerikaanse weekblad The New Republic, met de polemische titel `Wat zou Jezus hebben gedaan?'. Daarin noemt Goldhagen het antisemitisme ,,de hoogste vorm van westerse haat aller tijden'' waarvan ,,de hoofdoorzaak in het christendom ligt. In het bijzonder in de katholieke kerk.'' Ieder historisch onderzoek naar de holocaust moet daarom volgens Goldhagen beginnen met een analyse van de relatie tussen kerk en antisemitisme.

Goldhagen keert zijn in de eerste plaats tegen Pius XII, de oorlogspaus. Daarna analyseert hij de strategieën die werden en worden gehanteerd om Pius en de kerk als geheel buiten schot te houden als het gaat om verantwoordelijkheid voor de holocaust. De verdedigers van de kerk hebben een beperkte blik, meent Goldhagen. Ze bagatelliseren of ontkennen het antisemitisme van het christendom en wisselen in hun analyse voortdurend tussen de kerk als moreel instituut en als politieke instelling.

Met het verhaal over Pius betreedt Goldhagen een terrein dat inmiddels door velen is afgegraasd. Over de rol van Pius wordt al sinds 1963 gedebatteerd, toen de Duitse schrijver Rolf Hochhuth het toneelstuk Der Stellvertreter (De plaatsbekleder) publiceerde. Daarin beschrijft Hochhuth Pius als de zwijgende paus, de man die weigerde met zijn morele gezag de jodenvervolging te veroordelen.

Sindsdien tuimelen Pius' advocaten – van wie sommigen hopen op de zaligverklaring van hun held – en aanklagers over elkaar heen. En allemaal brengen ze, zoals Goldhagen opmerkt, ,,hun eigen uitgangspunten, perspectieven en agenda's'' mee. De vraag is, of Goldhagen zelf iets anders doet. In The Sunday Times zegt Gitta Sereny, een autoriteit op het gebied van het nationaal-socialisme, ,,[Goldhagen] heeft een standpunt en hij zoekt naar de bewijzen voor dat standpunt. Dat is geen geschiedschrijving''. David Cesarini, hoogleraar joodse geschiedenis, verwijt Goldhagen dat hij zich opstelt als aanklager. ,,Hij nodigt je uit om op te staan en de verdachte uit te schelden''.

Goldhagen heeft, althans voor zijn artikel in The New Republic, geen eigen onderzoek gedaan. Dat kan ook nauwelijks want de feiten zijn wel zo ongeveer bekend. En voor zover ze dat niet zijn, zal daar weinig verandering in komen zolang het Vaticaan zijn archieven gesloten houdt – iets waar Goldhagen zich erg boos over maakt en voor hem een bewijs dat de kerk kennelijk iets te verbergen heeft. Goldhagen rest niets anders dan te rade te gaan bij bestaande literatuur. En omdat hij voorstanders van de kerk bij voorbaat beschuldigt van vooringenomenheid, zoekt hij zijn argumentatie bij de tegenstanders.

Vooral uit het omstreden boek van John Cornwell (Hitler's Pope) wordt door Goldhagen rijkelijk geciteerd. In navolging van Cornwell schrijft hij dat Pius XII in 1939 de ongepubliceerde encycliek Humani Generis Unitas van zijn voorganger heeft weggemoffeld omdat hierin de jodenvervolging werd veroordeeld. Geen woord over historici die er juist op wijzen dat de encycliek antisemitisme weliswaar veroordeelde, maar accepteerde dat de overheid de macht van joden waar die te groot werd probeerde in te perken. Pius XII, geraffineerd diplomaat als hij was, begreep volgens deze historici dat zo'n betoog in de ogen van de nazi's hun rassenwetgeving sanctioneerde.

In navolging van Cornwell voert Goldhagen een brief uit 1918 aan als het bewijs voor het antisemitisme van Pius, die toen nog gewoon Eugenio Pacelli heette en nuntius was in München. Die brief kan volgens sommige historici niet zonder context geciteerd worden: de scherpe toon was mede het gevolg van een slepende ruzie met een groepje joodse, ultralinkse revolutionairen.

Zelfs Cornwell vindt, volgens de Sunday Times, dat Goldhagen een beetje doorslaat (,,over the top''). Maar dat maakt volgens Cornwell het debat niet minder interessant. ,,Het is een morele afrekening die al lang op de loer lag – en die er nu eindelijk is.''

Gevoel voor timing kan Goldhagen inderdaad niet worden ontzegd. De katholieke kerk en de joodse gemeenschap zijn verwikkeld in een voorzichtig toenaderingsproces, dat rond 1965 begon met de encycliek waarin de joden niet langer verantwoordelijk werden gesteld voor de kruisiging van Jezus (volgens velen de bron van het westerse antisemitisme). En dat in 1998 leidde tot een document waarin de kerk zich uitspreekt over de jodenvervolging – volgens de kerk ,,een acte van berouw'', volgens Goldhagen ,,een van de meest flagrante openlijke onwaarheden van de laatste tijd''.

Een paar weken geleden verscheen er een theologisch document waarin wordt gezegd dat christenen respect moeten hebben voor het joodse wachten op de Messias. En deze week was er in Parijs voor het eerst een heuse joods-katholieke top. ,,De oorlog tussen onze religies is al lang voorbij'', aldus de Franse joodse leider Henri Hajdenberg. ,,Dus nu kunnen we praten zonder meteen woedend te worden.''

Daar staat tegenover dat de gemeenschappelijke joods-katholieke historische commissie die onderzoek doet naar de handelwijze van Pius XII haar werk dit najaar heeft neergelegd. Volgens de joodse historici werkt de kerk het onderzoek tegen.