EU moet eigen prioriteiten stellen

De veiligheid van Europa begint dichtbij huis. De EU moet zich niet op Washington richten maar eigen prioriteiten stellen. Dat wil zeggen: hulp bieden aan islamitische staten om aldus het vigerende extremisme het hoofd te bieden, meent Anatol Lieven.

Vóór 11 september leden de Verenigde Staten aan een chronisch onvermogen om een keuze te maken tussen internationale prioriteiten. Dat is veranderd door de terroristische aanvallen. De Amerikaanse regering is nu niet gevoeliger voor de belangen en meningen van anderen, maar is nu wel gedwongen de grootste gevaren voor Amerika onder ogen te zien en de tactiek daarop af te stemmen.

Het wordt tijd dat Europa dat ook doet, zeker als het gaat om de bestemming van de economische hulp, die immers de belangrijkste bijdrage van Europa aan de internationale veiligheid zal zijn. Het uitgangspunt voor de strategische overwegingen in dezen moet zijn dat geografische omstandigheden nog steeds van belang zijn, ook in de context van de mondiale strijd tegen terrorisme en de oorzaken ervan.

Het grootste gevaar voor de Europeanen ligt aan, en in sommige gevallen zelfs binnen, de grenzen van Europa, en daar kan Europa ook het meeste doen. Het gaat met name om de islamitische staten van de Maghreb, aan de overzijde van de Middellandse Zee: Marokko, Tunesië en vooral Algerije. Zo bezien kleeft er enig gevaar aan al te grote nadruk op het `delen van de last' met de VS en aan de uiterst ambitieuze uitspraken die de Britse premier Tony Blair kort na 11 september op het congres van Labour deed over een mondiale reddingsoperatie.

De middelen voor buitenlandse hulp zullen altijd beperkt zijn. `Gedeelde lasten' mogen niet betekenen dat Europa achter Amerikaanse militaire operaties aanloopt waarop de EU geen invloed heeft en waarmee de EU het later misschien zelfs oneens zal zijn.

De beschikbare middelen en energie mogen ook niet worden verspild aan een aantal verre, omvangrijke en waarschijnlijk onoplosbare rampen zoals in Congo. Wil Europa iets kunnen uitrichten, dan moeten prioriteiten worden gesteld.

Het islamitische extremisme vormt voor Europa misschien wel net zo'n groot gevaar als voor de VS, alleen op een andere manier. Het gevaar bestaat niet simpelweg uit terrorisme, maar uit een combinatie van terrorisme, immigratie van moslims en chauvinistische reacties van Europeanen.

De Maghreb is voor de Zuid-Europese landen wat Mexico is voor de VS. Het gebied is alleen armer, de bevolking groeit er sneller en daarbij komt het gevaar van islamitisch extremisme. Migranten, hetzij legaal hetzij illegaal, komen uit alle windstreken naar Europa, maar de meeste immigranten in Frankrijk, Spanje en Italië komen uit de Maghreb. Herhaaldelijke rellen hebben ons geleerd dat grote aantallen arme Europese moslims sterk het gevoel hebben buiten de maatschappij te staan waarin ze leven. Ze hebben de grootste moeite om zich aan die maatschappij aan te passen.

Behalve over het islamitische extremisme baart het anti-islamitische extremisme ook zorgen. Het zorgelijkste gevolg van de aanvallen van 11 september voor West-Europa is misschien wel dat bepaalde rechtse partijen daarmee tegen moslim-minderheden, en indirect tegen minderheden in het algemeen, gericht chauvinisme hebben trachten te legitimeren. Die tendens is zelfs te zien in Scandinavië, maar is het gevaarlijkst in Zuid-Europa en voorlopig in ieder geval in Italië.

Als dergelijke partijen stemmen kunnen winnen door de angst voor islamitische immigranten en terrorisme aan te wakkeren, is dat niet alleen slecht voor de binnenlandse politiek maar ook voor het imago van Europa als voorbeeld van betrekkelijke tolerantie tegenover etnische groeperingen en als voorbeeld van multiculturalisme.

Er zou weleens een grote invloed van kunnen uitgaan op de kandidaat-lidstaten van de EU in Oost-Europa, waar deze principes niet diep geworteld zijn, om het zacht uit te drukken. En omdat nationalistische partijen in die landen nogal eens vijandig staan tegenover de EU zou hun opkomst een gevaar kunnen gaan vormen voor de samenhang van de unie, de toekomst van de euro en de eenwording van Europa.

Om illegale immigratie tegen te gaan moeten er scherpere grenscontroles komen. Als belangrijke bijdrage aan de veiligheid van Europa zouden militairen en mariniers in Europa beter als grenspatrouille kunnen worden ingezet dan als lid van een militaire eenheid die nooit een echte militaire operatie zal meemaken.

Maar het moet ook duidelijk zijn dat beter bewaakte grenzen niet genoeg zijn. Alles moet in het werk worden gesteld om de landen waar de meeste immigranten vandaan komen tot ontwikkeling te brengen. De problemen van de Maghreb moeten gezien worden als problemen van Europa als geheel, en de EU zou veel meer hulp naar die regio moeten sturen. Er bestaat al een potentieel kader in de vorm van het in 1995 in Barcelona getekende Europees-Mediterrane partnerschap en het verdrag van de EU-Associatie met de drie landen van de Maghreb.

Tunesië is een goed voorbeeld van wat kan worden bereikt. In de jaren negentig was daar sprake van aanzienlijke vooruitgang. De economische groei bedroeg gemiddeld 4,6 procent per jaar en het inkomen per hoofd van de bevolking ligt ver boven het regionale gemiddelde. En het belangrijkste is dat de bevolkingsgroei is teruggebracht tot een stabiel niveau van 1,3 procent. Die vooruitgang is grotendeels te danken aan ruimhartige hulp uit Europa en Europese steun voor hulp van de internationale financiële instellingen. Maar ook de relatieve openheid van de Europese markt, waar het grootste deel van de export uit de regio naartoe gaat, heeft een cruciale rol gespeeld.

Toch ligt het inkomen per hoofd van de bevolking met 2,129 dollar in 2000 ook in Tunesië ver onder het niveau in de EU, terwijl het regionale gemiddelde slechts 1,512 dollar bedraagt. Als die cijfers niet drastisch omhoog gaan, zal de massale illegale emigratie naar de EU doorgaan.

In de nieuwe internationale situatie is er alle reden om de hulp aan de Maghreb op te voeren. De steun zou zich vooral moeten richten op het onderwijs dat een sleutelrol kan spelen bij het voorkomen van radicalisering van de jeugd en de verbetering van de economische groei , op de rechten van vrouwen en op geboortenregeling. Ook infrastructuur voor transport en ontwikkeling van het platteland kunnen een speerpunt vormen.

Op dit moment is er sprake van dat de VS Afghanistan gaan veranderen in een geslaagd `bruggenhoofd' voor democratie en economische vooruitgang in de islamitische wereld. Maar dan is Afghanistan zelfs naar de maatstaven van de islamitische wereld wel een buitengewoon wankele brug. Als alle energie dichter bij huis wordt geconcentreerd, kan Europa een veel nuttiger bijdrage leveren aan de strijd tegen het terrorisme en aan zijn eigen toekomst.

Anatol Lieven is verbonden aan het Carnegie Endowment for International Peace in Washington.