Een hoeraatje voor de OZB

De lijsttrekker van de VVD staat onder toenemende druk om zijn partij scherper te profileren. De gematigde toon die fractievoorzitter Dijkstal tot nu toe aanslaat, kan niet verhelen dat de VVD op sommige punten extreme plannen heeft, bijvoorbeeld met de onroerendezaakbelasting (OZB).

Voor gemeenten is deze heffing veruit de voornaamste bron van belastinginkomsten. Zij wordt geheven naar de waarde van huizen en bedrijfspanden. De VVD wil haar radicaal afschaffen. Dit betekent een belastingvoordeel voor gezinnen van 1,6 miljard euro. Bedrijven krijgen door deze maatregel een lastenverlichting van nog eens 0,9 miljard euro.

De liberalen voeren drie argumenten aan om de onroerendezaakbelasting af te schaffen: een betere werking van de arbeidsmarkt, de bevordering van het eigenwoningbezit en lagere kosten voor gemeenten.

Stuk voor stuk zijn dit ondeugdelijke argumenten.

Eerst de arbeidsmarkt. Op dit moment krijgen de meeste mensen met een bijstandsuitkering de OZB kwijtgescholden, als uitvloeisel van het gemeentelijke armoedebeleid. Gaan zij werken, dan vervalt die kwijtschelding zodra ze meer gaan verdienen dan het sociaal minimum. Doordat zij voortaan OZB moeten betalen, loont het minder om betaald werk te aanvaarden. Om werken voor huishoudens met een bijstandsuitkering financieel aantrekkelijker te maken ligt het dus niet erg voor de hand de OZB af te schaffen. Tal van andere en ten minste zo effectieve maatregelen zijn mogelijk. Een daarvan staat ook in het verkiezingsprogramma van de VVD zelf vermeld: verhoog de bestaande arbeidskorting. Werkenden kunnen op deze vermindering van inkomstenbelasting aanspraak maken, mensen in de bijstand niet. Dankzij de arbeidskorting gaan mensen die vanuit de bijstand een baan tegen het wettelijk minimumloon aanvaarden, er nu netto al bijna 70 euro per maand op vooruit. Een verhoging van de arbeidskorting kan werken nog lonender maken.

Het tweede argument om de OZB af te schaffen, luidt dat de zo bereikte verlaging van de woonlasten het voor meer mensen mogelijk maakt een eigen huis te kopen. Deze redenering is puur kiezersbedrog, zoals in elk geval de economen op de groslijst van de VVD drommels goed weten. Na een verlaging van de belastingen op huizenbezit houden alle woningzoekenden meer geld over voor de overige vaste woonlasten, met name de hypotheekrente. Zij kunnen dus een hoger bedrag lenen en zullen op zoek gaan in een wat duurder segment van de woningmarkt. De woningvoorraad is echter beperkt. Woningzoekenden die nu meer kunnen lenen, bieden tegen elkaar op, waardoor de woningprijzen stijgen. Huizen komen dus helemaal niet eerder binnen het bereik van een bredere groep mensen. De gezinnen die al een huis bezitten zijn de lachende derden: zij zien de waarde van hun pand toenemen. De drempel voor nieuwe toetreders tot de woningmarkt blijft even hoog.

Het laatste argument van de VVD om een einde aan de OZB te maken is dat gemeenten daarna niet langer uitvoeringskosten voor deze heffing hoeven te maken. In de praktijk zijn de meeste kosten gemoeid met het vaststellen van de waarde van onroerende zaken. Die waardebepaling blijft ook na afschaffing van de OZB nodig, omdat de rijksoverheid en de waterschappen eveneens belasting heffen op basis van de waarde van woningen en bedrijfspanden. De haalbare besparing op de administratiekosten is dus betrekkelijk gering.

Daar komt nog bij dat aan afschaffing van de onroerendezaakbelasting grote bezwaren kleven. De gemeentelijke autonomie wordt ingesnoerd, de gemeentelijke uitgaven zullen extra stijgen en de lastenverlichting komt disproportioneel ten goede aan de bezittende klasse.

Wat betreft het eerste bezwaar, de OZB is nu goed voor meer dan negen tienden van alle gemeentelijke belastingontvangsten. Op dit moment kan de gemeenteraad het nut van extra voorzieningen – meer sportvelden, verbetering van schoolgebouwen – afwegen tegen de daarvoor noodzakelijke verzwaring van de OZB. Dat kan straks niet meer. Den Haag dicteert voortaan de financiële armslag van gemeenten. Het is een weinig liberale benadering van de lagere overheden.

De VVD wil gemeenten voor de weggevallen OZB-opbrengst (2,5 miljard euro) compenseren via hogere uitkeringen uit het gemeentefonds. Een goede verdeelsleutel daarvoor is niet te vinden.

Het tweede bezwaar is dat gemeentebestuurders geld uit Den Haag gemakkelijker uitgeven dan middelen die zij van hun eigen burgers heffen. In het stelsel dat de VVD verdedigt, ontstaat dus opwaartse druk op de gemeenteuitgaven, terwijl gemeenten steeds meer claims bij de centrale overheid zullen indienen. Dit zou voor liberalen een doorslaggevend argument moeten zijn om het eigen belastinggebied van gemeenten te verruimen, in plaats van het in te perken. Het VVD-programma uit 1994 pleitte dan ook terecht voor verruiming van het eigen belastinggebied van gemeenten.

Ten slotte het derde bezwaar: huishoudens met een bovenmodaal inkomen brengen meer dan de helft van de OZB op. Afschaffing van deze heffing komt vooral aan hoger betaalden ten goede: een weinig evenwichtige lastenverdeling.

Hopelijk blijft de OZB. Naarmate Leefbaar Nederland met meer succes knaagt aan de electorale aanhang van de VVD neemt de kans daarop toe.