Onderwijsdebat eindigt in mineur

Van de steun die minister Hermans had om het hoger onderwijs te hervormen is nog maar weinig over. De bewindsman liep volgens parlementariërs te ver voor de muziek uit.

Waar zijn de Tweede Kamer en minister Hermans elkaar de afgelopen maanden kwijtgeraakt, vroeg Kamerlid M. Hamer (PvdA) zich vorige week vertwijfeld af in het debat over de nieuwe Wet op het hoger onderwijs. ,,Hermans is hard voor de muziek uit aan het lopen'', vond zij. Welnee, reageerde Hermans, ,,de Kamer heeft last van koudwatervrees.''

De Kamerleden constateerden het al eerder: van de hoerastemming rondom de invoering van de bachelor/masterstructuur in het hoger onderwijs, die vanaf september gefaseerd wordt ingevoerd, is maar weinig over. Minister en Tweede Kamer mogen het, in de woorden van Hermans, ,,voor 95 procent eens zijn'', de tot het uiterst toe door hem verdedigde differentiatie in het collegegeld heeft de goede sfeer bedorven.

Gisteravond restte minister Hermans weinig anders dan zijn voorstel om het universiteiten mogelijk te maken tot 6.800 euro collegegeld te vragen in te trekken. Op Hermans' eigen VVD na wilde de Kamer niets weten van duurdere opleidingen die alleen toegankelijk zijn voor uitblinkende studenten. Dom, vond hij. ,,Selectieve mastersopleidingen komen er uiteindelijk in het buitenland of op particuliere instellingen toch wel. Daar kunnen we maar beter op inspelen.''

Even speelde hij nog met de gedachte om de invoering van de bachelor/masterstructuur dan maar helemaal af te blazen, vertelde hij na afloop, maar hij zag daar vanaf omdat de meeste universiteiten en hogescholen al volop bezig zijn met de vernieuwing in het hoger onderwijs.

Bron van irritatie was onder meer een brief die Hermans naar de universiteiten had gestuurd zonder de Kamer daarover te informeren. Hij belooft de instellingen te belonen als zij extra plannen indienen om onder meer selectieve masterstudies te beginnen. De universiteiten, die zich dat geen tweede keer laten zeggen, zijn inmiddels al volop bezig om topstudies te ontwikkelen. Lambrechts: ,,Nu doet de minister via een omweg tóch zijn zin!''

Maar de oorzaak van de verwijdering tussen Kamer en minister ligt ook in het vrijblijvende begin van de hervorming. Nog geen jaar geleden was iedereen het helemaal eens: het hoger onderwijs moet zich internationaal beter profileren en meer de onderlinge concurrentie aangaan. Groot was dan ook het optimisme toen minister Hermans in 1999 samen met 28 Europese collega's in Bologna een verklaring tekende om overal op termijn de Angelsaksische bachelor/masterstructuur in te voeren. Dat betekent dat studenten een brede bachelorsfase volgen van drie à vier jaar, eventueel gevolgd door een meer specialistische mastersfase van één à twee jaar.

De Bologna-verklaring was vaag en maar twee A4-tjes lang. Dat gaf Hermans de kans om zijn liberale opvattingen over het hoger onderwijs te ontwikkelen. Het hoger onderwijs moest een ,,hoogvlakte met toppen'' worden, waar in ieder vakgebied minstens één uitblinkende opleiding ,,in de wereldtoptien'' moest staan.

Politiek verzet kwam er pas toen die mooie voornemens eind vorig jaar concreet gemaakt werden. Hermans ontwikkelde plannen voor zogeheten topmasterstudies, opleidingen waarvoor de instellingen een collegegeld van 6.800 euro mogen vragen. Verder moest er meer ruimte komen voor selectie `aan de poort': een instelling moet voor sommige opleidingen zelf kunnen bepalen welke studenten worden toegelaten.

De Tweede Kamer wilde niets weten van een hoger collegegeld voor sommige studies. Onder aanvoering van de Kamerleden Hamer (PvdA) en Eurlings (CDA) ging zij tot het uiterste om het hogere collegegeld te schrappen uit het wetsvoorstel. ,,De minister brengt de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar'', vond Eurlings. Zijn collega Van Bommel (SP) zag de plannen als een precedent voor universiteiten om ,,bij te gaan klussen''.

Ook de voorgestelde selectie voor topopleidingen beviel de Kamer niet, omdat Hermans cijfers daarin een belangrijke rol wilde laten spelen. De Tweede Kamer floot de minister ook hier terug, omdat zij vindt dat kennis, motivatie en vaardigheden moeten worden gemeten en niet cijfers de doorslag moeten geven. Kamerlid Vendrik (GroenLinks): ,,Liberalen maken graag onderscheid tussen mensen; dat blijkt eens te meer.''