Het Indisch Gebaar smaakt naar meer

Zo'n 80.000 Indische oorlogsgetroffenen hebben zich al gemeld voor een uitkering van 1.361 euro. Veel betrokkenen hopen dat het daar niet bij blijft.

De Nederlandse regering heeft goed gegokt. Bij het bepalen van Het Gebaar, de tegemoetkoming voor de Indische gemeenschap, ging men uit van circa 100.000 betrokkenen. Zo kwam men, met speling, op een bedrag van 350 miljoen gulden voor individuele uitkeringen.

Het gaat om minimaal 1.361 euro (3.000 gulden) voor iedere Nederlander die tijdens de Japanse bezetting in Nederlands-Indië verbleef en na migratie naar Nederland of elders ,,kil, bureaucratisch en formalistisch'' is bejegend door de Nederlandse overheid. De omvang van de doelgroep was onbekend. Als die kleiner zou blijken dan verwacht, zou het bedrag per persoon omhoog gaan. Als de doelgroep groter zou blijken, zou de regering het minimumbedrag handhaven en het totale bedrag verhogen.

Uit nog niet gepubliceerd onderzoek van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut, dat volgende week verschijnt, blijkt dat het gaat om 115.000 `oorlogsgetroffenen'. De jongste is geboren in 1945, de oudste is van voor 1900. Zij verbleven, al dan niet geïnterneerd, tussen 8 maart 1942 en 15 augustus 1945 in Nederlands-Indië of waren elders door de Japanners tewerkgesteld. Ze bezaten tijdens hun migratie naar Nederland, uiterlijk 1 januari 1967, of naar een ander land de Nederlandse nationaliteit. De laatste voorwaarde: ze waren voor 12 december 2000, de dag waarop Het Gebaar door het ministerie van VWS naar buiten werd gebracht, in leven. Voor deze Indische Nederlanders maakt de regering Het Gebaar, ,,vanwege vermoedelijke tekortkomingen in het naoorlogse rechtsherstel''.

De regering spreekt van een `tegemoetkoming'. Van volledig rechtsherstel, in de zin van compensatie voor materieel verlies, is geen sprake. Dit tot ongenoegen van een deel van de Indische gemeenschap, dat spreekt over een `Gebaartje' en graag verwijst naar de hogere bedragen voor de joodse en zigeunergemeenschappen. Daar is, mogelijk gemaakt door bijdragen van banken en verzekeraars, wél sprake van rechtsherstel.

Jan Kees Wiebenga, lid van de Raad van State en voorzitter van de Stichting Het Gebaar: ,,De vergelijking is begrijpelijk, maar leed kun je niet meten. We maken een gebaar, niet meer en niet minder. Rechtsherstel had moeten komen van de Japanse regering, niet van de Nederlandse.''

De doelgroep weet het gebaar te waarderen, blijkt op een kantoorverdieping in Rijswijk. Hier worden dagelijks postzakken vol aanvraagformulieren binnengebracht. Na een voorlichtingscampagne in november vorig jaar zijn nu al 80.000 aanvragen ingediend, een aantal dat pas in de zomer van dit jaar was voorzien. Sinds kort arriveren ook de aanvragen uit het buitenland: in Californië, Zuid-Afrika en Australië wonen veel Indische Nederlanders. Tachtig mensen zijn in ploegen bezig de papierberg te verwerken. Het streefgetal van 1.000 verwerkte aanvragen per dag is net verhoogd naar 1.500, de eerste 9.000 zijn al gehonoreerd. Haast is geboden, want het gaat om oude mensen. Aanvragers van 78 jaar en ouder worden met voorrang behandeld.

Beoordeling van de aanvragen moet efficiënt gebeuren, zegt Peter Richelle, projectmanager uitvoering van PriceWaterhouseCoopers, het bedrijf dat voor deze klus volgens Wiebenga ,,enkele tientallen miljoenen guldens'' ontvangt van het ministerie van VWS. Het mag voor de betrokkenen niet zo'n kille en bureaucratische bedoening zijn als de behandeling destijds. Dus zijn alle medewerkers uitgebreid geïnformeerd over het onderwerp, en is in de gangen een tentoonstelling over Nederlands-Indië tijdens de Japanse bezetting ingericht. Alle begeleidende brieven, soms dikke biografieën, worden beantwoord, ontbrekende gegevens worden zo mogelijk door eigen onderzoek aangevuld.

Pijnlijke afwijzingen zijn er nog niet geweest, volgens Richelle. Verificatie van de verstrekte gegevens blijkt vrijwel altijd mogelijk, en gebeurt aan van de hand van diverse bronnen. Van belang zijn vooral microfiches met Indische paspoorten en gedigitaliseerde passagierslijsten van alle boten die na de oorlog van Nederlands-Indië naar Nederland voeren, nauwgezet bijgehouden door de Dienst der Repatrieering.

Het Gebaar omvat meer dan de individuele uitkeringen. Voor collectieve uitkeringen is zo'n 16 miljoen euro beschikbaar, maar over de besteding daarvan is nog nauwelijks nagedacht. Stichtingsvoorzitter Wiebenga: ,,We gaan eerst bekijken aan welke criteria projectvoorstellen moeten voldoen. De Indische gemeenschap kan vervolgens zelf projecten voorstellen.''

En dan is er het historische onderzoek door het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), waar onlangs wel een beslissing over is genomen. In opdracht van VWS verricht het NIOD de komende vier jaar met 25 mensen onderzoek naar `de herschikking van de Indonesische samenleving' in de periode 1930-1960. Het ambitieuze project – kosten 2,4 miljoen euro – richt zich met name op de sociale en economische gevolgen van de Japanse bezetting, de revolutie en de nationalisatie. Een van de vier onderzoeksterreinen betreft `de financiële afwikkeling van oorlog en dekolonisatie', waaronder rechtsherstel.

Via een omweg wordt de heikele kwestie van het rechtsherstel zo toch nog Het Gebaar binnengeloodst. Ontbrekend archiefmateriaal gaf eerdere onderzoekers weinig hoop op uitkomsten, en voor het NIOD is het rechtsherstel een ondergeschikt thema, een concessie om een mooie onderzoeksopdracht binnen te halen. Een deel van de Indische gemeenschap verwacht echter dat het NIOD-onderzoek de opmaat zal vormen tot omvangrijke schadevergoedingen. Voor hen is Het Gebaar niet meer dan een opwarmertje voor het geld waar ze recht op menen te hebben. Er is weinig reden aan te nemen dat de Nederlandse regering na Het Gebaar verlost zal zijn van het koloniale schuldgevoel.