Hemelvaart

Een gekke witte vorm zag ik in het zwarte ijs. Ik schaatste tussen de weilanden. Dus reed ik terug om het raadsel te bekijken. Het waren witte gasbelletjes in donker ijs. De contour ervan kwam me bekend voor, maar ik herkende het profiel niet. Zoals een geur vertrouwd kan zijn zonder dat je hem kunt benoemen. Ik schaatste om het bellenbeeld heen, zoals een schilder met een doek.

Toen zag ik dat de witte vlekjes samen een afbeelding hadden gepointilleerd van een rennende haas. Ik keek naar de grafsteen van een dode haas, die blijkbaar onder het ijs lag te rotten. Het silhouet van ingevroren belletjes vormde het bewijs van zijn hemelvaart.