`Enronitis' zaait twijfel op beurzen

Enron zorgt voor onrust op de beurzen. Maken Amerikaanse bedrijven echt zo veel winst als zij vertellen, of zijn er meer Enrons in de maak?

`Enronitis', werd het gisteravond genoemd op Wall Street: de sluimerende angst dat de zaak-Enron niet op zichzelf staat. Het Dow Jones-gemiddelde ging met 2,5 procent onderuit.

Plotseling is elk bedrijf dat onduidelijkheden schept over zijn resultaten verdacht. Het conglomeraat Tyco bijvoorbeeld, dat zichzelf wil gaan opsplitsen, viel gisteren met 18 procent omdat er bij beleggers twijfels rezen over de accuratesse van zijn winstcijfers. Het Willams-concern, evenals Enron een handelaar in energie, moest met 22 procent terug nadat het zijn publicatie van de jaarcijfers over 2001 uitstelde. En zo waren er nog meer.

Enron staat allang niet meer alleen op het spel. De vraag wordt nu hoe gangbaar de praktijken zijn geworden die Enron vorig najaar dwongen om zijn jaarwinst met 1,2 miljard dollar neerwaarts te herzien – de opmaat voor de déconfiture van het concern.

Zo frauduleus als Enron hoeven volgende gevallen niet eens te zijn. Bedrijven hebben op de grens van wat nog net wel, en wat net niet meer mag, er in de voorbije jaren alles aan gedaan om de aan de aandeelhouders getoonde winsten zo hoog mogelijk op te schroeven.

De gevolgen voor beleggers kunnen groot zijn. Want in feite is er de afgelopen jaren een flink gat ontstaan tussen wat beleggers denken dat er aan bedrijfswinsten is behaald, en wat er daadwerkelijk aan winsten is gerealiseerd.

Een exacte berekening van dat gat is ondoenlijk, maar een indicatie is wel te geven. In de nationale rekeningen van de Verenigde Staten, waarvan het derde kwartaal van vorig jaar de meest recente informatie bevat, werd in 1996 754 miljard dollar aan bedrijfwinsten opgevoerd.

In 1998 waren de winsten gegroeid tot 846 miljard dollar. Maar een vorig jaar doorgevoerde verandering in de calculatie van de nationale rekeningen schaafde 70 miljard van die winsten over 1998 af. Bij die verandering vorig jaar werd overigens ook de gunstige ontwikkeling van de productiviteit, een essentieel deel van het sprookje achter de beurshausse, flink naar beneden bijgesteld.

De winstontwikkeling in de VS is sinds 1998, nog steeds volgens de nationale rekeningen, gematigd. In 1999 stegen de winsten met 6,1 procent, en in 2000 ook met 6,1 procent. Daarna ging het hard naar beneden. In het derde kwartaal van vorig jaar – het meest recente cijfer – bedroegen de bedrijfswinsten op jaarbasis gerekend 679 miljard dollar. Dat is een val met een kwart ten opzichte van het derde kwartaal van 2000.

Beleggers zien iets heel anders. De ontwikkeling van de opgegeven winst van alle Amerikaanse beursgenoteerde bedrijven tezamen, de winst volgens Wall Street, voltrok zich veel gunstiger. Ten opzichte van 1996 was die versie van de bedrijfswinsten eind 2000 met 50 procent gestegen, en ten opzichte van 1998 ging de winst eind 2000 met 22 procent omhoog. De weg omlaag, in 2001, was veel minder steil dan de nationale rekeningen doen vermoeden.

Er zijn verklaringen voor het gat: de groep beursgenoteerde bedrijven komt niet helemaal overeen met het totale Amerikaanse bedrijfsleven. Maar in de VS is die overlap wel zeer groot. Tweede bezwaar is dat de uitgeklede winst die bij de fiscus wordt gepresenteerd en in de overheidsstatistieken terechtkomt, overal ter wereld een andere is dan de `openbare' winst die aan beleggers wordt gepresenteerd. Ook in Nederland. Maar dit onderscheid verklaart niet het verschil in de ontwikkeling van die winst.

Zo blijft het winstgat bestaan. Hoe groter het is, hoe groter ook de kans dat beleggers, zelfs nu de beurskoersen al flink zijn gecorrigeerd, zich baseren op bedrijfswinsten die er in werkelijkheid heel anders voorstaan dan hun wordt verteld. En lijkt de weg vrij voor meer winstherzieningen dan alleen die van Enron.