Enron zou in Japan geen schandaal zijn

Het Enron-schandaal kan ertoe leiden dat het Amerikaanse Congres met nieuwe wetten de veerkracht van de financiële markten aantast. Dat zou een vergissing zijn, want het schandaal bewijst het zuiverend vermogen van het huidige bestel, meent David Ignatius.

Als Enron een Japanse bank was geweest in plaats van een Amerikaans energiebedrijf, had Kenneth Lay de onderneming misschien nog wel tien jaar geleid. Maar zo is het niet en Lay is woensdag 23 januari weggestuurd: hij is opgegaan in de vuurzee die is veroorzaakt door de val van Enron.

Vanuit het buitenland gezien is niet zozeer het bedrog van de bestuurders en accountants het opvallendste aan het schandaal, als wel de razendsnelle instorting. In een paar weken tijd is Enron van eenzame hoogte gekelderd tot het bankroet. Zo'n smak maakt niet iedereen, zeker niet iemand met zoveel politieke macht als Ken Lay.

Het is paradoxaal dat Enron precies datgene illustreert waardoor het Amerikaanse kapitalisme zo goed functioneert: de mogelijkheid dat zelfs het machtigste bedrijf compleet kan worden weggevaagd. Lay en zijn vroegere collega's bij Enron, en de accountants bij Arthur Anderson die een oogje toeknepen, wacht nu de typisch Amerikaanse versie van de hel, waarin ze tot in de eeuwigheid door advocaten zullen worden gekweld.

De menselijke dimensie van de ramp kreeg nog een extra accent met het nieuws van vrijdag 25 januari, toen bekend werd dat de voormalige vice-voorzitter van Enron, Clifford Baxter, dood was aangetroffen – kennelijk een geval van zelfmoord. De zaak-Enron heeft inderdaad iets van een Griekse tragedie waarin hoogmoed voor de val komt.

Enron heeft de raad van bestuur, accountants, banken, politici, beursanalisten en miljoenen beleggers een rad voor ogen gedraaid met onjuiste en geflatteerde financiële verslagen. Maar het bedrog was niet eindeloos vol te houden. Vorig jaar begon Jim Chanos, een speculant à la baisse – een van de aasgieren van het Amerikaanse kapitalisme die gokken op de waardedaling van een fonds – eindelijk de waarheid los te peuteren.

Het is een Amerikaans sprookje à la The Great Gatsby. Amerika is inderdaad het land van de onbegrensde mogelijkheden, waar je van de ene dag op de andere miljoenen kunt verdienen. Maar het is ook een land waarin per dag honderden bedrijven over de kop gaan. Dankzij de faillissementswetten wordt het puin snel geruimd, zodat de activa van een failliet bedrijf door een nieuwe eigenaar kunnen worden gekocht en gebruikt. Veel niet-Amerikanen vinden dit Schumpeteriaanse proces van `creatieve destructie' wreed. Maar zo worden de Amerikaanse markten snel `gezuiverd', doordat de prijzen dalen tot een niveau waarop iemand bereid is te kopen. Het is ellendig voor de verliezers, maar de economie als geheel kan blijven draaien.

Vergelijk de vuurzee rond Enron maar eens met de barre woestenij van het Japanse bankstelsel van dit moment. Het kernprobleem is in beide gevallen hetzelfde: Japanse banken hebben er, net als Enron, een gewoonte van gemaakt hun financiële problemen buiten de boeken te houden. Bij Enron was de truc dat de schulden en verliezen werden verstopt in `dochterondernemingen'. Dat waren zogeheten LJM-vennootschappen onder leiding van financieel topman Andrew Fastow. Toen Enron op 8 november eindelijk werd gedwongen de verborgen schulden openbaar te maken, moest het bedrijf de winst van de afgelopen vier-driekwart jaar herzien en de boekwinst met bijna zeshonderd miljoen dollar terugbrengen. Nog geen maand later vroeg het bedrijf surséance aan.

De Japanse banken hebben soortgelijke financiële trucs toegepast. Toen de zeepbel van de Japanse economie meer dan tien jaar geleden uiteenspatte, bleken leningen die door zwaar overgewaardeerd onroerend goed en effecten waren afgedekt, niet te kunnen worden geïnd. In plaats van die oninbare vorderingen onmiddellijk af te schrijven, wat de juiste handelwijze zou zijn geweest, hebben veel Japanse banken het schandaal trachten af te wenden door ze door te sluizen naar hun equivalent van `dochterondernemingen'.

Het schandaal in Japan is dat dit geen schandaal is. De regering heeft in 1999 een financiële injectie van zestig miljard dollar gegeven, maar de banken houden hun oninbare vorderingen nog steeds buiten de boeken en de regering en het publiek spelen het spelletje nog steeds mee. Men schijnt bang te zijn dat bepaalde banken failliet zullen gaan als ze de ernst van hun problemen zouden toegeven. Omdat in Japan geen enkele afzonderlijke bank of politicus de schande van de mislukking wil dragen, blijft het systeem als geheel ziek.

Ook Europese bedrijven hebben er moeite mee een ramp onder ogen te zien Franse magistraten hebben acht jaar lang onderzoek gedaan naar de financiële machinaties van de vroegere staatsoliemaatschappij Elf Acquitaine, maar er spelen nog steeds beroepszaken en sommige magistraten geven het uit pure walging op. Ook bepaalde Franse banken zijn erin geslaagd hun dubieuze debiteuren en financiële miskleunen te verbergen.

Het is komisch om te zien hoe bepaalde Amerikaanse politici nu haastig hun verontwaardiging betuigen over het schandaal, terwijl diezelfde politici gigantische bijdragen voor hun verkiezingscampagnes hebben aangenomen van Enron.

Maar het zorgelijkste is wel dat het Congres in zijn haast om orde op zaken te stellen weleens nieuwe wetten kan uitvaardigen die de flexibiliteit en veerkracht van de Amerikaanse financiële markten zouden kunnen aantasten. Daglicht is het beste medicijn. Als de kwestie-Enron iets heeft aangetoond, dan is het wel dat de Amerikaanse markten zelf wreed straffen als de leugens aan het licht zijn gebracht en de feiten op tafel liggen.

David Ignatius is columnist.

©LAT/WP Newsservice