Dualisme staat garant voor goed lokaal bestuur

Op lokaal niveau dienen de bestuursverhoudingen helder te zijn. Het vigerende monisme draagt daar niet toe bij, vinden Dick de Cloe en Michèle Franke.

Invoering van een dualistisch bestuursstelsel leidt tot verslechtering van de lokale democratie. Dat stelde dr.mr. H. Koning in zijn artikel over de Wet dualisering gemeentebestuur waarover de Eerste Kamer zich moet buigen (opiniepagina, 19 januari). Het wetsvoorstel tot dualisering van het gemeentebestuur schiet volgens Koning schromelijk tekort.

Een groot struikelblok in het lokaal bestuur blijkt het formeel monistische, maar in de praktijk veelal dualistisch functionerende bestuursstelsel te zijn. Deze discrepantie leidt tot een onheldere verdeling van taken en bevoegdheden tussen enerzijds de gemeenteraad en aan de andere kant het college van B en W.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten constateerde in een recent onderzoek dat de belangstelling van burgers voor de lokale politiek daalt en het cynisme daarover groeit. Een stijgend aantal mensen blijkt bovendien ontevreden over de prestaties van het lokale bestuur en staat wantrouwend tegenover de lokale politici.

Invoering van een dualistisch stelsel betekent voor raad en college een scheiding naar samenstelling, taken en bevoegdheden. De gemeenteraad wordt hét volksvertegenwoordigend, kaderstellend en controlerend orgaan en staat naast en tegenover een college dat bestuurt en uitvoert.

Alleen het veranderen van de bestuursstructuur zal echter niet de beoogde effecten sorteren. Een levendige lokale democratie wordt immers niet door de nationale wetgever afgedwongen maar door raadsleden en burgers zelf vormgegeven. Juist daarom is een gelijktijdige omslag in de lokale politieke stijl, cultuur en werkwijze nodig. Via de zogeheten vernieuwingsimpuls zijn veel raadsleden daar al druk mee bezig.

In zijn artikel vreest Koning dat dualisering met name de positie van de gemeenteraad zal ondermijnen. Zo stelt hij dat in het nieuwe stelsel de juridische deskundigheid van het ambtelijk apparaat alleen nog ter beschikking staat van het college en dat de raad met lege handen achterblijft.

De verwachting dat het ambtelijk apparaat als gevolg van het dualisme zal opschuiven in de richting van het college, is terecht. Maar raadsleden krijgen wel degelijk, in tegenstelling tot wat Koning beweert, het recht op ambtelijke ondersteuning. De Tweede Kamer vond dit echter onvoldoende en heeft daarom de mogelijkheden tot ondersteuning van zowel de gemeenteraad als van de afzonderlijke raadsfracties uitgebreid. Daarmee krijgt ook de gemeenteraad de beschikking over een eigen ondersteunend apparaat: de raadsgriffie. De vrees dat de gemeenteraad wegens onvoldoende bijstand en menskracht zijn nieuwe taken niet adequaat kan uitvoeren, is dan ook ongegrond.

De gemeenteraad mag in een dualistisch stelsel volgens Koning ook niet langer beslissen over belangrijke zaken die de burgers ter harte gaan. Zo is de beslissing om voetbalvelden voor de jeugd aan te leggen of een nieuw stadion voor de profvoetbalclub te bouwen niet langer aan de gemeenteraad maar aan het college. Ook zou de gemeenteraad niet meer mogen beslissen of een stadskantoor dan wel een schouwburg moet worden gebouwd. Deze voorstelling van zaken is niet correct. De gemeenteraad behoudt ook in het dualistische stelsel de algemene verordeningsbevoegdheid, alsmede het budgetrecht. De uiteindelijke beslissing over bijvoorbeeld een voetbalveld, een stadion, een stadskantoor of een schouwburg blijft bij de gemeenteraad.

Kern van het wetsvoorstel dualisering gemeentebestuur is dat wethouders geen lid meer zijn van de gemeenteraad. Koning meent dat door deze ontvlechting de band tussen de gekozen raad en de wethouders geheel verdwijnt. Hij wijst daarbij onder meer op de mogelijkheid om wethouders van buiten de raad aan te stellen. Echter, nergens wordt dit in het wetsvoorstel voorgeschreven. Bovendien worden ook wethouders van buiten door en namens een raadsfractie naar voren geschoven en behoeven zij de instemming van de gemeenteraad.

Ook de verhouding tussen burger en bestuur zal in de nieuwe verhouding een impuls ten goede kwijgen. Niet in de laatste plaats omdat raadsleden meer ondersteuning krijgen om hun volksvertegenwoordigende functie in te vullen. Dit in combinatie met het benutten van nieuwe mogelijkheden van burgerparticipatie, vormt een goede basis voor de noodzakelijke revitalisering van de lokale democratie.

Dick de Cloe is lid van de Tweede Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie. Michèle Franke is beleidsmedewerker bij deze fractie.