Cement

In de westerse cultuur werkt godsdienst niet meer bindend. Godsdienst is teruggedrongen naar de sfeer van de life style. Iemand kan een gelovig christen zijn, zoals een ander feministisch is of antiglobalistisch of vegetariër. Hoe diepgevoeld ook de overtuiging en hoe sterk ook iemands leven staat `in het teken van', voor de buitenwereld gaat het slechts om privé-keuzes die respect verdienen. Deze tolerante houding van niet-gelovigen wekt overigens ook weer ergernis op. Zo schamperde Willem Jan Otten onlangs in Vrij Nederland dat religiositeit door buitenstaanders in ongeveer dezelfde categorie werd geplaatst als het uitvoeren van schaamtevolle wc-handelingen: allemaal best, zolang het maar strikt privé blijft achter een deur met het haakje erop.

Otten heeft gelijk; het is irritant om welwillende onverschilligheid te ontmoeten, wanneer het naar je diepste overtuiging om iets essentieels gaat. Maar `godsdienst als cement van een cultuur', zoals Job Cohen het in zijn nieuwjaarstoespraak formuleerde, geldt alleen voor andere culturen, niet voor de onze, die goddeloos is en aan autonomie hecht. Cohens oproep om meer in dialoog te treden met allochtonen via godsdienstige instituties als moskeeën, wekt bij voorbaat een soort schaamte, omdat de code in het westen luidt dat men niet iemand op z'n godsdienst aanspreekt – dat wordt toch nog indiscreet gevonden.

Nu is het natuurlijk niet de bedoeling dat de dialoog over godsdienst of theologie gaat. Cultuurverschillen en integratieproblemen liggen meer voor de hand als gespreksonderwerp, maar als de cultuur zo rechtstreeks uit de godsdienst voortvloeit, is het lastig de godsdienst te vermijden.

Het feit dat de islam monotheïstisch is maakt het extra moeilijk. Vroeger leerde ik op school dat monotheïsme een stap vooruit betekende in de ontwikkeling van de mensheid van primitief naar beschaafd. Dit is het soort mededeling dat je als kind kritiekloos aanvaardt: van berenvel naar wambuis, van paard naar postkoets, van polytheïsme naar monotheïsme. Steeds hoger, steeds beter, steeds verder. In werkelijkheid is polytheïsme minder pretentieus en daardoor mogelijk beschaafder. Mensen hebben de behoefte om zich te verliezen in iets wat groter is dan zijzelf. Natuurvolken zien achter elke bron, vruchtdragende boom of gevaarlijk dier een god. Helden van de stam worden tot goden in de overlevering. Het vrouwelijke element mag ook meedoen. Omdat er zoveel verschillende goden zijn, kan iedere sterveling er wel eentje van zijn gading vinden tot wie hij zich kan richten en door wie hij zich kan laten inspireren. Andere stammen hebben weer andere goden en hoeveel oorlog er ook gevoerd wordt, het gaat in ieder geval niet om godsdiensttwisten.

Polytheïstische godsdiensten bieden vrijheid. Pas in het monotheïsme volgens het autoritaire-vader-model van de christenen, joden en moslims kon de dogmatiek tot bloei komen, met regels voor het dagelijks leven en heilige gecanoniseerde teksten die worden toegepast op vraagstukken van eeuwen later. Het katholicisme is van alle monotheïsmen nog het sympathiekste, doordat het z'n polytheïstische opzet nooit helemaal heeft kunnen uitbannen: drie goden in één zogenaamde drie-eenheid, een belangrijke rol voor de moedermaagd Maria en tal van heiligen om apart te vereren.

Dominee Carel ter Linden, die het huwelijk van Máxima en Alexander gaat inzegenen, gelooft niet meer in de Opstanding. In zijn portret dat in deze krant geschetst werd afgelopen maandag, wordt zijn geloof vergeleken met een kale boomstaak. Het zijn zware en schaamtevolle tijden voor de topmannen van het christendom. De islam en het orthodoxe jodendom zijn meer gericht op de praktijk van het dagelijks leven. De rituelen vallen samen met de religie. Van buiten af lijkt het op life style, maar het is ondoordringbaar cement.