Maatschappijleer mag absoluut niet verdwijnen

Het vak maatschappijleer geeft leerlingen inzicht in politieke besluitvorming, arbeidsverhoudingen en de massamedia. Zo worden zij behoed voor het `Lagerhuisgebabbel' op tv. Zo'n vak hoort thuis in het hoger middelbaar onderwijs, meent Jos de Beus.

Het lijkt voor een wetgever niet zo moeilijk het goede curriculum te bedenken voor leerlingen in het hoger middelbaar onderwijs. In elk geval talen, wiskunde, natuurwetenschappen, aardrijkskunde, lichamelijke en kunstzinnige vorming, wijsbegeerte en geschiedenis zou je zeggen. En uiteraard de maatschappij- of gedragswetenschappen tussen de wijsbegeerte en geschiedenis in.

Nu is dat moderne tussengebied uitgestrekt en tjokvol geworden, met rechtsgeleerdheid, economie, psychologie, antropologie, sociologie, sociale geografie, politicologie en, sinds kort, de communicatiewetenschap. De wetgever moet dus kiezen. Sommige gamma-onderdelen kunnen worden samengevoegd. Men kan een onderscheid maken tussen verplichte breedheid en vrijwillige diepte.

Als het om de samenlevingsprofielen gaat, zit er een herkenbaar patroon in de keuze van de wetgever. Geschiedenis? Opgewaardeerd. Wijsbegeerte? Een beetje ingevoerd. Het tussengebied? Vooral economie. In een praktijk van dertig jaar is het vak maatschappijleer tot bloei gekomen met twee elementen: burgerlijke vorming en een thematische inleiding tot de sociale wetenschappen in ruime zin – doch los van de economie. Maar die praktijk lijkt door de studiehuistheoretici in twee grote stappen te worden vernietigd. De eerste stap werd in 1997 gezet door de sociaal-democratische staatssecretaris Netelenbos van Onderwijs. Maatschappijleer ontbreekt in de profielen waar zij thuishoort: Cultuur & Maatschappij en Economie & Maatschappij.

De tweede stap is onlangs aangekondigd door de huidige, eveneens sociaal-democratische staatssecretaris Adelmund. Het vak wordt in het (verplichte) Algemene deel geschrapt. Wat overblijft is een geschiedenisvak dat zich bezighoudt met de nieuwste geschiedenis, in het bijzonder met de wording van de democratische rechts- en verzorgingsstaat, sociale ongelijkheid, en het multiculturalisme. De staatssecretaris volgt hier de commissie-De Rooy. Maar die commissie adviseerde óók dat maatschappijleer als zelfstandig vak moet blijven bestaan. Het vult immers de nieuwste geschiedenis aan met aandacht voor analyse en methode in de sociale wetenschappen, bijvoorbeeld in de studie van misdaad en misdaadbestrijding. En maatschappijleer geeft de leerlingen inzicht in politieke besluitvorming, internationale betrekkingen, arbeidsverhoudingen en massamedia.

Niettemin brengt de staatssecretaris maatschappijleer onder in het zogeheten `vrije deel' van de scholen. Zij weet dat dit vanaf 2005 zal neerkomen op een zachte dood, maar zij zegt dat er niet bij in haar brief aan de Tweede Kamer. Die brief suggereert wel dat het elementaire begrip van burgerschap en sociaal handelen in betere handen komt bij de bevoegde leraren geschiedenis, economie, aardrijkskunde, culturele en kunstzinnige vorming en godsdienst. Dit is in twee opzichten een irrationele voorstelling van zaken.

Ten eerste is de maatschappelijke behoefte aan overdracht van kennis inzake staatsvorming, natievorming, pacificatie, sociale bewegingen en communicatie toegenomen sinds de val van de Muur en het Verdrag van Maastricht. Wat elf september op lange termijn ook moge betekenen, de behoefte aan overdracht is door die gebeurtenis alleen maar versterkt, zoals blijkt uit het voortgaande debat over inburgering en secularisatie van de Europese islam.

Ten tweede mag van een kabinet van sociaal-democraten en liberalen met twee politicologen op het ministerie van Onderwijs worden verwacht dat zij maatschappijleer verdedigen als bestanddeel van het goede curriculum ter voorbereiding op zowel hoger beroeps- als wetenschappelijk onderwijs.

Ik was dus benieuwd naar de argumentatie van de staatssecretaris en las haar brief nogmaals. Noch in de brief noch in het vraaggesprek met deze krant van 19 januari is een goede reden te vinden. Er wordt aannemelijk gemaakt waarom de overbelasting en versnippering in het studiehuis doortastend moeten worden bestreden. De voorgestelde ontmanteling van maatschappijleer wordt gewoon afgekondigd maar geen woord over het risico van overbelasting en scheefgroei in de vakken die de leemte van maatschappijleer gaan vullen.

Sinds twee jaar doe ik mee aan een alfa-gammapropedeuse in Almere. Dat is een groot succes, mede omdat bijvoorbeeld oud-leerlingen van het Montessori Lyceum Amsterdam al geleerd hebben om de samenleving koel te bestuderen en het niet bij een `Lagerhuisbabbel' te laten. Als ik Kamerlid zou zijn, zou ik het dus wel weten. Ik zou aantonen dat er geen feitelijke grond is voor de bewering dat maatschappijleer slecht wordt gedoceerd en beoordeeld (door leerlingen, ouders, andere leraren, schooldirecteuren en toezichthouders). Ik zou aantonen dat de Vereniging van Samenwerkende Nederlandse Universiteiten en vooral de gamma-faculteiten deze maatregel tot schrappen terecht afwijzen. Ik zou concluderen dat de regeringspartijen op programmatische gronden een andere posterioriteit moeten stellen, namelijk culturele en kunstzinnige vorming. En ik zou besluiten dat het algemeen belang gediend is met verdere professionalisering van de band tussen universitaire lerarenopleiding en ambachtelijk onderwijs op de scholen bij geschiedenis, economie, wijsbegeerte en de sociale wetenschappen.

Wanneer de controleurs van de regering een gezaghebbende aanpak van de rotzooi in het studiehuis zoeken, dan zullen zij die niet vinden bij een matig gemotiveerd voorstel dat de klok dertig jaren terugdraait en een parlementaire onderwijsenquête dichterbij brengt.

Prof.dr. J. de Beus is hoogleraar politicologie aan de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam. Hij is een van de ondertekenaars van een protestbrief van de gamma-faculteiten.