Klapschaats

Meestal wordt de Ier Dunlop als de uitvinder van de luchtband gezien, maar in feite is dat de Engelsman Thomson die daar bijna een halve eeuw eerder, in 1845, patent op kreeg. De klapschaats is ook zo'n uitvinding met een vergelijkbare geschiedenis. Steeds wordt prof. Gerrit Jan van Ingen Schenau als de uitvinder genoemd. Nu weer door Erik Oudshoorn in de themabijlage Olympische Spelen van 26 januari. Van Ingen Schenau is niet de uitvinder. Dat is de Beier Karl Hannes, aan wie op 26 januari 1894 patent verleend werd op een `Schlittschuh mit in vertikaler Ebene drehbare Fussplatte'. Het draaipunt zat laag in de schaats, maar het principe kwam overeen met de huidige klapschaats.

Van Ingen Schenau met zijn medewerkers De Groot, Meester en Scheurs dienden in februari 1985 een octrooiaanvrage in voor een klapschaats waarbij de voet enigszins kon afwikkelen; de voorkant van de schoen zat gewoon vast op de schaats, de hak kon omhoog komen, gestuurd door een geleider. In diezelfde tijd was ondergetekende bezig met een lagering (spelingvrij draaipunt) tussen schoen en schaats, zodat de beweging overeenkwam met die van de voet op het pedaal van een fiets. Dit wilde ik laten patenteren. Daarmee kwam ik in het vaarwater van Van Ingen Schenau c.s.. Het bleek voor ons allen zinvol om samen te werken. Beide constructies zijn samengevoegd in nieuwe patentaanvragen en de rechten werden verkocht aan Viking. Het heeft daarna bijna 12 jaar geduurd voordat enkele gewestelijke trainers van de juniorenselectie op de Haagse Uithof met opvallende resultaten aantoonden dat de klapschaats echt beter was. Dat zij daarin geloofden en dat ook op hun pupillen wisten over te brengen was voor een belangrijk deel te danken aan de leraar van een van hen, Gerrit Jan van Ingen Schenau, die al die jaren zijn studenten bleef voorhouden dat de klapschaats principieel beter was.

De helaas al jong overleden professor is daarmee niet de Thomson, maar wel de Dunlop van de klapschaats, met dit verschil dat het in feite mijn constructie is.