Gelijke monniken

De Europese Unie zoekt expansie naar het oosten. Als alles volgens plan verloopt, grenst de EU met de nieuwe lidstaten Polen, Tsjechië en Hongarije in 2004 bijna of helemaal aan de voormalige Sovjet-Unie. Deze uitbreiding is niet gratis. De sociaal-economische ontwikkeling van de nieuwe leden heeft afgelopen decennia door uiteenlopende redenen, zoals het plansocialisme tijdens de Koude Oorlog, geen gelijke tred gehouden met die in het westen. Zo is de landbouw daar altijd verwaarloosd en daarom amper efficiënt.

Wanneer Brussel deze ex-socialistische landen erbij wil halen, moet er worden betaald. De inkomenssteun van de EU wordt namelijk niet berekend op grond van de kwaliteit der boerenbedrijven, maar heeft als doel de bedrijven in stand te houden. Dit beleid toepassen op de Oost-Europese landen met hun grote aantal kleine, ineffeciënt werkende boeren, gaat de Eurocommissarissen Fischler (landbouw) en Verheugen (uitbreiding) te ver. Zij willen de boeren in Polen, Hongarije en Tsjechië voorlopig een kwart van de inkomenssteun geven die hun collega's in de EU ontvangen. Gelijkwaardigheid zou ,,niet de juiste prikkel'' zijn voor de hoognodige herstructurering van de extensieve landbouw in de nieuwe lidstaten. In Warschau en Boedapest is grommend gereageerd. Volgens de Poolse minister van Landbouw is het onaanvaardbaar de nieuwe lidstaten te degraderen tot de ,,tweede rang''. Het voorstel van Fischler en Verheugen is volgens de Polen een gotspe. De EU wil om politieke redenen groter worden, maar wil daarvoor slechts een beperkte prijs betalen. Dat ondermijnt de geloofwaardgheid van de intenties in Brussel èn het draagvlak voor het EU-lidmaatschap in Polen, Tsjechië en Hongarije.

In hun ijver de Oost-Europese landbouw langs de weg der subsidies te bewegen tot herstructurering, lijken de twee commissarissen voorbij te gaan aan de crisis waarin de West-Europese landbouw en veeteelt zelf verkeren. BSE, varkenspest en chronische overproductie zijn hier niet of ternauwernood bedwongen. Dit zijn symptomen van de doorgeslagen intensivering van het agrarische bedrijf. Het besef dringt door dat er een andere weg moet worden ingeslagen, een koers die minder op het aanbod van de boeren en meer op de vraag van de consumenten is gericht. Dat Brussel daarbij niet over één nacht ijs kan gaan, is begrijpelijk. Er zijn electorale belangen in het geding; de politicus die de boeren uitdaagt met hun tractoren de snelwegen te blokkeren, verliest. Maar dit ontslaat Brussel niet van de plicht de lange termijn in het oog te houden. Terecht heeft staatssecretaris Benschop (Europese Zaken) de landbouwsubsidies aan de nieuwe leden gekoppeld aan de noodzaak in de huidige EU-lidstaten de zaak op orde te krijgen. Dit laat onverlet dat eisen mogen worden gesteld aan de efficiëntie van de boerenbedrijven in de kandidaat-lidstaten.

Het antwoord op de budgettaire kosten die de toetreding van de nieuwe Oost-Europese landen met zich zal meebrengen, ligt niet in een onderscheid van de subsidiepotten, maar in een landbouwbeleid dat recht doet aan het Europese streven een gemeenschappelijke markt te scheppen. Dat betekent niet onmiddellijk evenveel subsidiegeld, maar dezelfde eisen. En uiteindelijk gelijke monniken, gelijke kappen.