EU heeft nieuwe metaforen nodig

De gemiddelde Europeaan loopt niet warm voor de eertijds revolutionaire ideeën over een hiërarchisch federaal Europa. Deze tijd vraagt om flexibele en democratische besluitvormingsstructuren, meent Peter van Ham.

Het debat over de toekomstige Europese politieke orde gaat nu pas echt beginnen. Wordt het nieuwe Europa een federatie waarbij de huidige lidstaten zich schikken in de positie van quasi-provincies? Of blijft de natiestaat het centrum van de politieke macht, waarbij het slechts mondjesmaat bevoegdheden overhevelt naar Brussel? Federalisten betogen dat zeker een klein land als Nederland geen keus heeft. Zij vergelijken Europese integratie vaak met fietsen: het is doortrappen of een zeker politiek faillissement. Het afkalven van de nationale soevereiniteit wordt daarbij niet betreurd, maar gezien als de prijs voor een vreedzaam en welvarend continent.

Hun opponenten beweren daarentegen dat de EU genoeg op haar bordje heeft liggen, en dat ze eerst maar eens moet bewijzen dat ze een solide monetair beleid kan voeren en gestalte kan geven aan Europa's buitenlands- en veiligheidsbeleid. Zij stellen dat de natiestaat sterker in haar schoenen staat dan ooit, en dat ideeën over een federaal Europa het nationaal belang doorkruisen. Het huidige niveau van Europese integratie zou daarom slechts moeten worden geconsolideerd.

In de ene hoek van de ring bevindt zich CDA-lijsttrekker Balkenende, die zich onlangs ontpopte als een federalist. In de andere hoek staat VVD-leider Dijkstal, die juist een bestendige, intergouvernementele strategie voorstaat. Elk Europees land kent een soortgelijk retorisch gevecht waarbij bekende argumenten eindeloos worden uitgekauwd, en slechts af en toe worden gemengd met nieuwe redenen om al dan niet voort te schrijden in de richting van een `Verenigde Staten van Europa'. Dit is een uitzichtloze polemiek die aan de werkelijke vragen over Europa's politieke toekomst voorbijgaat.

Een van de fundamentele problemen is dat wij (nog) niet beschikken over de juiste ideeën en concepten om zo'n futuristisch debat zinvol te voeren. Zowel federalisten als hun politieke opponenten hanteren begrippen die afkomstig zijn uit hun nationale ervaringswereld en die lange tijd hebben gefunctioneerd binnen de natiestaat. Historisch gezien is de moderne staat opgegroeid en groot geworden met de democratie, en een nationale identiteit die is gevormd door conflicten en oorlogen met onze nu zo gewaardeerde buurlanden.

Maar wat moeten wij ons eigenlijk voorstellen bij een `Europese democratie', een `Europese identiteit', laat staan een `Europees defensiebeleid'? Is het wel zo nuttig om het sjabloon van de moderne staatsvorming op de EU-toekomst te leggen? Het getuigt bovendien van naïviteit (of arrogantie?) om te menen dat waar we binnenslands van ons geloof in de `maakbare samenleving' zijn afgevallen, het toekomstige Europa zich moeiteloos naar een bepaald plan laat vormgeven.

Toch zijn de voorstellen die nu in het debat geponeerd worden veelal technocratisch van aard: bijvoorbeeld een Senaat binnen het huidige Europees Parlement, een gekozen President van de Europese Commissie, of andere stemverhoudingen binnen de Europese Raad. De Franse ex-president Giscard d'Estaing is onlangs benoemd tot voorzitter van een conventie over de toekomst van Europa die plannen zal neerleggen voor verreikende hervormingen van de EU. In 2004 zouden dan besluiten moeten worden genomen. Het is van groot belang – ook voor Nederland – om actief in dit publieke debat te participeren, en dat daarbij naar nieuwe ideeën en inventieve oplossingen wordt gezocht.

Ook al krijgt de EU steeds meer de schijn van een supranationale `staat' – het heeft immers al monetaire soevereiniteit, sluit internationale handelsverdragen voor haar lidstaten, en krijgt tevens meer politie- en defensietaken – het is en blijft een uniek project zonder blauwdruk en historisch precedent. De huidige EU wordt wel vergeleken met het Duitsland en Italië van 1870, toen beide landen op de drempel van hun eenwording stonden. Ook toen was sprake van het samensmelten van regio's en stadstaten met een lange en trotse geschiedenis die vaak elkaars dialect niet eens konden verstaan.

Maar een betere parallel, of metafoor, is die van de Middeleeuwen, het tijdperk voorafgaand aan het moderne statensysteem waarvan in Europa nu afscheid wordt genomen. Dit is de premoderne periode waar politieke macht en autoriteit nog niet aan formeel gelijkwaardige landen waren toebedeeld. Iedereen – van stad, Hanze, graafschap, tot keizerrijk en paus – deed actief mee aan beleidsvorming en machtspolitiek. Van nationalisme en democratie zoals we die nu kennen was geen sprake. Pas met de industrialisatie en moderne staatsvorming is de idee gegroeid dat ieder soeverein `volk' zichzelf zou moeten besturen. Het is ook een idee dat nu weer verlaten wordt, ook al is nog onduidelijk wat ervoor in de plaats komt.

Globalisering noopt niet alleen tot schaalvergroting, maar ook tot individualisering. Dit lijken twee tegengestelde trends, maar voor de staat betekent het dat tenminste twee pijlers onder zijn fundament worden weggehaald. Immers, economisch en politiek sijpelt de macht richting EU, regio, stad en bedrijfsleven, terwijl de voorheen loyale burger zich steeds minder verbonden voelt met `zijn' eigen land. Daarom bevindt het zogenoemde `democratisch tekort' zich niet slechts bij de EU, maar ook bij de moderne staat zélf.

De problemen waarmee de EU nu wordt geconfronteerd zijn het gevolg van de crisis van de staat en het Europese statensysteem. Net als in de late Middeleeuwen staan we nu aan de vooravond van een nieuwe politieke orde waarvan nog slechts de contouren kunnen worden geschetst. Er is nog niet voldoende inzicht om kordaat de volgende stap te zetten.

Wellicht komt Giscard d'Estaings conventie met nieuwe, sprankelende ideeën over hoe het nu verder moet met de EU. Hopelijk wordt gekeken naar een breed scala van opties, van digitale democratie (waar de band tussen de Europese burger en beleidsmakers door middel van computertechnologie wordt aangehaald), tot focus-groups (waar beleidsopties worden besproken met een representatief deel van de Europese samenleving). Ook moet er meer duidelijkheid komen over de rol en invloed van lobbies en comités in Brussel.

Maar een ding staat vast: het postmoderne Europa moet niet worden geschoeid op een moderne leest. Europa is geen legodoos waar de politieke elite van kan bouwen wat ze wil. Het is eerder een grote tuin, waar de echte tuinman geduldig snoeit, wiedt en plant, maar waar ook ruimte is voor spontaniteit en openheid. Ideeën over een hiërarchisch, federaal Europa waren revolutionair ten tijde van Monnet en Schuman, maar maken nu een fletse en ongeïnspireerde indruk. Het is zeker geen visie waar de `gewone Europeaan' warm voor loopt. Dit denken past niet in een tijd die vraagt om flexibele en democratische besluitvormingsstructuren. Simpelweg de tijd uitzingen is echter ook geen optie, aangezien de huidige EU niet optimaal functioneert en aanpassing vereist is.

Dr. P. van Ham is verbonden aan het Instituut Clingendael.