Eén jaar Bush: dol op zijn baan en conservatieve agenda

Vandaag houdt de Amerikaanse president Bush zijn jaarlijkse State of the Union-toespraak. De aanslagen hebben de president in versneld tempo doen loskomen van de tekentafel.

,,Ik ben dol op mijn baan'', vertrouwde president Bush zijn toehoorders in Louisiana een week geleden toe, ,,we hebben een fantastische grondwet''.

Het was een voorbeeld van de graad van politiek vakmanschap die George W. Bush heeft bereikt. Steeds weer zoekt hij ver van Washington een vriendelijk publiek op om zijn schijnbare gewoonheid te delen. Tegelijk geeft hij hoog op van het ambt dat hem als een hermelijnen mantel om de schouders past.

George W. Bush zei het zelf al na de aanslagen van 11 september: hij is in zijn rol gegroeid. Dat geldt nu des te meer, een jaar nadat hij in het Witte Huis belandde door een samenspel van het lot, het Supreme Court en bekwaam hard spel bij de afwikkeling van de verkiezingen in Florida.

Wanneer hij vanavond zijn tweede State of the Union-toespraak voor beide huizen van het Congres houdt, zal president Bush één nieuwe hindernis moeten nemen. Vielen zijn prestaties voorheen al snel mee vanwege het lage verwachtingspatroon, sinds hij als opperbevelhebber door meer dan 80 procent van de Amerikanen positief wordt beoordeeld, is ook de norm waaraan hij moet voldoen verzwaard.

Vanavond moet Bush tussen een paar scherpe klippen door laveren. Hij wil het succes in de oorlog politiek maximaal benutten, maar moet zelfgenoegzaamheid over de snelle afrekening met Al-Qaeda en de Talibaan vermijden. De president heeft zich ook vast voorgenomen verdere belastingverlagingen door te voeren, maar omdat die haast onvermijdelijk de hogere inkomens en grote bedrijven het meest ten goede komen, moet hij vooral laten doorklinken hoe zeer hij begaan is met alle nieuwe werklozen.

Deze opdrachten voor de redenaar tekenen ook de contouren van de president Bush die na een jaar is losgekomen van de tekentafel. Hij leek weinig eigen ideeën over buitenlandse verhoudingen te hebben en profileerde zich als binnenlandse president, een `conservatief met een hart'. Intussen zijn veel meer grijstinten zichtbaar geworden, zowel in wereldvisie als in sociaal, economisch en moreel gebied.

De aanslagen van 11 september hebben Bush gedwongen in versneld tempo te laten zien waar zijn instincten en de werkelijkheid hem anders waarschijnlijk in de loop der jaren naar hadden gevoerd. Zijn neiging Amerika zo veel mogelijk buiten regionale conflicten te houden is intact, maar vaak onhoudbaar: het drama in het Midden-Oosten is gevaarlijk genoeg mét Amerikaanse bemoeienis zonder is het niet te dulden.

De noodzaak een wereldwijde coalitie te bouwen tegen het terrorisme bracht een uiterst pragmatische regering-Bush aan het licht: oude bezwaren werden ingeslikt, nieuwe werkvriendschappen gesloten met zulke onwaarschijnlijke kandidaten als Rusland, diverse ex-sovjetstaten met minimale democratische papieren, Pakistan en zelfs China, waarmee eerder een kil conflict werd uitgezeten nadat Peking een Amerikaans spionagevliegtuig had neergehaald.

Tegelijk kwam een andere basistrek in het werelddenken van de Bush-équipe en de dominante Republikeinse stroming in het Congres naar voren: afkeer van internationale verdragen. Het meest actuele voorbeeld is de keuze tegen een flink deel van de wereldopinie in – de gevangen Al-Qaeda- en Talibaan-strijders in Guantánamo vast te zetten zonder de Conventie van Genève toepasselijk te achten. Het ABM-verdrag werd eenzijdig opgezegd, de in Kyoto bereikte uitvoeringstekst van het klimaatverdrag van Rio werd door Washington onbruikbaar verklaard, het Congres kwam met instemming van het Witte Huis ver met het instellen van een agressieve boycot van het Internationaal Strafhof. De lijst is langer, de tendens dezelfde.

In eigen land deed president-Bush wat de kandidaat-Bush had beloofd, met dien verstande dat hij meer de `corporate conservative' dan de `compassionate conservative', zoals E.J. Dionne jr zondag vaststelde in een knap stuk in The Washington Post. Volgens deze aan The Brookings Institution verbonden waarnemer geeft `de oorlog' de president essentiële rugdekking daarbij: wat hij aan sociale doelen niet kan waarmaken is te wijten aan de onvoorziene kosten verbonden aan een oorlog op vele fronten.

Ook in ander opzicht is de aanval op Amerika een `blessing in the sky': oude liefhebberijen van slechts een deel van het Republikeinse establishment, zoals een raketschild, veel zwaardere bewaking van de grenzen, een substantiële verhoging van de salarissen bij defensie en modernisering van tal van defensie-systemen, het kan ineens allemaal.

En de conservatieve voorkeur voor sluitende begrotingen wijkt moeiteloos voor de alles overheersende noodzaak Amerikanen hun aanspraak op veiligheid weer te garanderen.

Zo is een agenda losgekomen van de tekentafel die op een ouderwetse manier joviaal is. Bush heeft regelmatig een hartelijk woord over voor hardwerkende landgenoten die hun baan of hun pensioen bij een bankroet bedrijf verliezen, maar het zijn vooral de `faith based initiatives' die er wat aan moeten doen. Gezin, kerk en vaderlandsliefde vormen het warmbloedige vangnet.

Verder is iedereen welkom hard te werken en het te maken. Of niet. Bush pleit niet tegen de federale regering, maar hij heeft 4.000 van het eerder op 5.600 miljard dollar begrote overschot voor de komende tien jaar zien verdwijnen in de recessie én opgemaakt met oorlog en belastingverlagingen. De federale overheid kan daardoor niet veel meer kan doen voor ouderen en zwakkeren. Ook dat is deel van de filosofie.

De Democratische oppositie zoekt voorlopig op deze zeer Amerikaanse mix het antwoord nog.