Schrijfster voor wie nog wonderen kan doen

Heimwee was haar drijfveer, heeft ze eens gezegd. Heimwee naar het `rode huis' waar ze opgroeide en naar haar jeugd in `Junibacken', zoals de boerderij in het Zweeds heet. Astrid Lindgren, misschien de beroemdste en zeker de meest veelzijdige kinderboekenschrijfster van de twintigste eeuw, is dood. Vandaag stierf ze, 94 jaar oud, in Stockholm. Dat heeft haar familie bekendgemaakt.

Als Astrid Ericsson werd ze op 14 november 1907 geboren als dochter van een bemiddelde boer. Veel van haar boeken spelen zich af in de groene omgeving van haar piepkleine geboortedorpje Näs of in het nabijgelegen Vimmerby, in de zuid-Zweedse provincie Småland. Daar gaat Michiel van de Hazelhoeve naar de dokter met een soepterrine op zijn hoofd, daar stalt Pippi haar paard op de veranda van villa Kakelbont, bouwen de kinderen van Bolderburen geheime hutten en springt Madieke met een paraplu van het schuurdak, om te leren vliegen.

Lindgren debuteerde laat, in 1944, met het meisjesboek Britt-Mari lattar sitt hjärta (Britt-Marie lucht haar hart). Maar haar echte debuut noemde ze zelf Pippi Langkous uit 1945, waarmee haar immense succes begon. Sindsdien heeft ze ongeveer tachtig kinderboeken geschreven en één boek voor volwassenen, het autobiografische Het land dat verdween (1978). Van 1946 tot 1970 werkte ze in deeltijd als redacteur jeugdliteratuur bij haar uitgeverij Rabén & Sjogren.

,,Ik wil schrijven voor lezers die nog wonderen kunnen doen'', zei ze in 1958 in haar dankwoord bij de aanvaarding van de Hans Christian Andersenprijs, de hoogste internationale onderscheiding voor kinderboeken. ,,Zij blazen onze armzalige zinnen en woorden het leven in dat er oorspronkelijk aan ontbrak.'' Ze roemde de kinderlijke verbeeldingskracht, die gestimuleerd moet worden opdat de kinderen later zorgen voor nieuwe ontdekkingen, voor `het aanzien van de wereld'.

Nooit is ze vergeten hoe intens je als kind meeleeft met wat je leest. In Het land dat verdween vertelt ze hoe ze huilde om het lot van Oom Tom en meevoer met Huck Finn over de Mississippi, maar net zo goed klaar stond om `de Man met de Stalen Vuisten' bij te staan als het moest. Ze las alles wat ze in handen kon krijgen en vond het allemaal even mooi. Maar eenmaal volwassen kon ze zich toch indenken wat ze als kind het állerliefste gelezen zou hebben. En dat schreef ze op. [Vervolg LINDGREN: pagina 9]

LINDGREN

Pippi spotte met orde en regels

[Vervolg van pagina 1] Meer nog dan Annie M.G. Schmidt in Nederland is Astrid Lindgren in Zweden uitgegroeid tot een nationale heldin. Niet alleen door haar kinderboeken, maar ook omdat ze in 1976 in een belangrijk dagblad het Zweedse belastingstelsel bekritiseerde (ze had berekend dat ze 102 procent belasting over haar inkomen moest betalen).In 1990 voerde ze opnieuw actie, ditmaal tegen de bio-industrie. Haar kranteninterview met een kip en een zeug had resultaat: de Zweedse dieren kregen meer ruimte, gras en buitenlucht.Vraag in Stockholm aan een willekeurige voorbijganger hoe de geluksvogel heet die Karlsson op het dak heeft wonen, of wat voor koekjes Pippi altijd bakt, en de kans is groot dat je het goede antwoord krijgt. Niet alleen in de geboorteplaats van Astrid Lindgren is een zeer drukbezocht `verhalendorp' gebouwd met locaties uit de boeken, ook in Stockholm is sinds 1996 een soort Astrid LindgrenIand te bezoeken, genaamd `Junibacken'.

In dit door de Nederlands-Zweedse illustratrice Marit Törnqvist ontworpen museum maak je aan een kabelbaantje een reis langs beroemde scènes uit de boeken. Lindgren schreef zelf nog het begeleidend commentaar dat in de kabelbaanwagentjes te horen is. Ze dicteerde het aan Törnqvist, want ze was al jaren bijna blind en sinds 1992 met schrijven gestopt.

Hoe typisch Zweeds de landschappen en de figuren uit Lindgrens boeken ook zijn, ze zijn tegelijkertijd universeel. Met veel succes werden ze vertaald in zestig talen, van Zulu en Swahili tot Armeens en Koreaans. Ook de uitstekende verfilmingen van haar boeken, onder andere van Olle Helblom, vonden hun weg over de hele wereld.

Lindgren werd zo vaak bekroond dat het verhaal gaat dat ze uiteindelijk een bordje op de deur schroefde: `Prijzen worden geweigerd'. Ze ontving onder andere twee eredoctoraten, verschillende koninklijke onderscheidingen, tweemaal de Lewis Carrollprijs en de Vredesprijs van de Duitse boekhandel. In Nederland kreeg ze driemaal een Zilveren Griffel.

De verschijning van Pippi Langkous in 1945 moet een soort aardschok zijn geweest. Tot dan toe waren de meeste kinderboeken keurig en degelijk, met een duidelijke moraal. Pippi spot ermee; met orde en regels en manieren, met wat ouders hun kinderen bij proberen te brengen. ,,Ja, het is stout om te jokken'', zegt Pippi tegen haar brave buurmeisje Anneke. ,,Maar hoe kun je denken dat een klein meisje, dat een moeder heeft die een engel is en een vader die negerkoning is en die zelf haar hele leven lang heeft gevarenaltijd de waarheid zal kunnen spreken? En bovendien,'' zei ze en haar hele sproetige gezichtje straalde, ,,zal ik jullie vertellen, dat er in Congo geen mens is die de waarheid spreekt. Ze jokken daar de hele dag! Beginnen om zeven uur 's morgens en gaan er mee door tot zonsondergang!'' Voor Pippi geen betutteling, geen school met lastige tafels van dinges en geen standjes, maar een aap, een paard, een koffer vol gouden tientjes en haar reuzenkracht. Tegenwoordig zijn kinderen in kinderboeken op het slaapverwekkende af assertief, tegendraads en eigengereid, maar in 1945 betekende Pippi Langkous een revolutie. Een jaar na verschijning stond in een vooraanstaande Zweedse krant een woedend betoog van een hoogleraar pedagogie. Pippi was walgelijk en berokkende de kinderziel schade. Het boek was onrealistisch en leugenachtig: welk kind at nou een hele taart op een verjaardag? AsTrid Lindgren reageerde laconiek; wie een paard met een hand optilt, kan misschien ook wel een hele taart aan.

Lindgrens betekenis voor de jeugdliteratuur is niet alleen haar vernieuwende onderwerpskeuze, haar solidariteit met kinderen, maar ook haar taal. In Het land dat verdween schrijft ze: ,,Ik geloof dat je met kinderen over alles kan en mag praten, maar als je wilt dat ze werkelijk naar je luisteren, moet je je wel afvragen hoe je daar het beste over kunt praten. Je kunt grappen maken die kinderen leuk vinden, waar volwassenen eventueel ook om moeten lachen. Maar ten strengste verboden zijn grappen die alleen volwassenen kunnen waarderen.'' `Een parodie op de notulen van een bestuursvergadering' hoort dus niet in een kinderboek. Je mag kinderen wel `woorden voorschotelen die ze niet kennen maar waar z toch plezier aan beleven' , vindt ze. En inderdaad, als Pippi op de pikdonkere zolder van villa Kakelbont komt met een bangelijk rillende Tommie en Anneke in haar kielzog zijn volgens haar alle geesten en spoken net afgereisd naar een bestuursvergadering van hun vereniging, wat jammer nou.

Net als haar personages, zoals Pippi, Karlsson en Ronja de roversdochter, is Lindgren altijd haar eigen weg gegaan, zonder zich veel aan te trekken van kritiek. Op haar achttiende beviel ze van haar eerste kind, haar zoon Lasse, zonder iets van de vader te willen weten. Ze moest ervoor vechten om hem zelf in haar eentje groot te mogen brengen. In 1931 trouwde ze met Sture Lindgren en kreeg met hem haar tweede kind, Karin.

Een van Lindgrens mooiste boeken, De gebroeders Leeuwenhart (1973), door haar bedoeld als `troostboek' voor piekerende kinderen, stuitte op ferme kritiek. Door marxistisch georiënteerde literatuurstudenten werd ze beticht van escapisme: een beetje sprookjes schrijven terwijl de wereld verbeterd diende te worden (vanuit diezelfde hoek werd Michiel van de Hazelhoeve een `agrarisch kapitalistje' genoemd). Anderen meenden dat zij kinderen tot zelfmoord aanzette.

Maar zoals ze zich van taboes weinig aantrok, stoorde ze zich ook niet aan modes. Ze sneerde in Het land dat verdween naar het jaren 70-kinderboekenrecept. ,,Je neemt een gescheiden moeder, het liefst loodgieter van beroep, of eventueel atoomfysica, het voornaamste is dat ze niet `naait' en niet 'lief is'. Dan meng je haar met wat water- en luchtvervuiling, wat derde-wereld-honger, oudertirannie en schooltucht en je roert er nog een klont rassenproblemen door en natuurlijk wat vrouwendiscriminatie. Tenslotte strooi je daar nog een handje drugs overheen en wat geslachtsdaden [...]''

Astrid Lindgren is een echte verteller. Ze spreekt de lezer direct aan, zonder dat dat ooit neerbuigend of oubollig klinkt. Daarvoor heeft ze te veel humor, is de spreektaal waarin ze schrijft te helder. In al haar boeken is of een alwetende verteller aan het woord (`Heb je ooit weleens iets gehoord over Michiel van de Hazelhoeve/ die in de gemeente Bovenbergen in Zuid Zweden

woonde? Nee, echt niet?') óf richt een van de personages zich tot de lezer (`Wat ik nu ga vertellen gaat over mijn broer. Over mijn broer Jonathan Leeuwenhart'). De meeste verhalen zijn chronologisch van opbouw.

Uit haar `invallen', zoals ze het zelf aanduidde, onstonden de meest uiteenlopende verhalen. Van alles kon haar verbeelding aanzwengelen: een zieke dochter die in 1941 zo graag een verhaaltje wil horen over een zekere Pippi Langkous, de vage herinnering aan een schoenmaker uit haar geboortplaats die `Karlsson van het vat' werd genoemd, een luidkeels lachend jongetje dat een eigen woord heeft verzonnen: `Nan-gi'.

Lindgrens boeken laten zich grofweg verdelen in drie hoofdgenres. Verhalen `uit de tijd van kampvuren en sprookjes', zoals Mio, mijn Mio (1954) en Ronja de Roversdochter (1981), 'nonsensverhalen', geënt op de realiteit met toevoeging van een fantasiefiguur zoals Pippi Langkous of Karlsson en de 'huis-tuin-en-keukenverhalen', over Lotta uit de Kabaalstraat, Madieke van het rode huis en de kinderen van Bolderburen.

Over vuurspuwende draken en woeste piraten kon Astrid Lindgren even goed vertellen als over erwten die in neuzen verdwijnen en tanden die los zitten. Maar zelf hield ze het allermeest van Michiel, die ze in een interview met deze krant `het kind van mijn heimwee' noemde – Michiel van de Hazelhoeve, met zijn blonde, wollige haren, schreeuwend om zijn pet en zijn pief-paf-poeferd, op blote voetjes rondrennend door het landschap van haar jeugd.