Loopbaan Brussel

De vetpotten van Brussel hebben andermaal de begeerte van de EU-lidstaten opgewekt. Dit keer zijn het functies die vrijkomen – topfuncties bij de Europese Commissie, het dagelijks bestuur van de Europese Unie. Zoiets ligt gevoelig: een topbaan in Brussel levert niet alleen prestige op, het is ook een manier om discreet invloed uit te oefenen. De lidstaten weten dat het aantal ambtelijke topposities binnen de Commissie beperkt is. Regeringen doen hun best om zoveel mogelijk getalenteerde landgenoten op het Brusselse pluche te krijgen. Een logisch uitgangspunt is dat de functies evenwichtig over de lidstaten worden verdeeld. Maar dat is een streven; de werkelijkheid is anders. Lidstaten oefenen dan ook druk bij de Commissie uit om hun haan koning te laten kraaien. De huidige Commissievoorzitter, Romano Prodi, houdt niet van die druk en voert sinds zijn aantreden een beleid van functieroulatie en onafhankelijke benoemingen. Voor die kwaliteitskeus is veel te zeggen.

Nederland doet het met zijn top- en kaderfuncties niet zo goed in vergelijking met andere landen, ook kleinere. Ons land heeft maar drie echte topambtenaren (`A1') bij de Commissie en negen functionarissen met een rang lager (`A2'). Landen als België, Ierland en Griekenland scoren, ook in de kaderfuncties, beter. Relatief het best doen Frankrijk en België het. Mede in verband met de komende golf van benoemingen heeft Nederland besloten een speciale lobbyist aan te stellen om Nederlanders in topfuncties bij de Commissie benoemd te krijgen, een zogeheten `coördinator topbenoemingen'. Het steekt nog steeds dat het min of meer gedwongen vertrek in 2000 van de Nederlandse secretaris-generaal van de Commissie, de langzittende en invloedrijke Carlo Trojan, niet is gecompenseerd.

De aanstelling van een functionaris die moet proberen weer andere functionarissen te doen aanstellen lijkt voor de hand te liggen, maar gaat aan twee belangrijke zaken voorbij. Om te beginnen heeft Nederland in Brussel een `permanente vertegenwoordiger', wiens werk het nadrukkelijk ook zou moeten zijn zich met de benoemingenkwestie bezig te houden. Maar belangrijker is de opvallend geringe Nederlandse deelname aan het examen dat men moet afleggen om een loopbaan als ambtenaar van de Europese Commissie te beginnen. Hier knelt de schoen echt. Te weinig jonge Haagse ambtenaren zijn kennelijk geïnteresseerd in een Europese carrière of laten zich afschrikken door de taalbarrière van het niet op school geleerde Frans. Inspanningen om deze twee zaken aan te pakken hebben nog onvoldoende opgeleverd. Aan de basis kan een dure lobbyist dus nuttiger werk verrichten dan aan de top in Brussel.