Koning van de buurt

In de wakkere wereld van het Nederlandse voetbal is hij de nieuwe koning. Klein maar dapper heeft het populairste schoffie van de buurt het aangedurfd zijn hand in de bijenkorf te steken. Bijgestaan door het populairste schoffie van de andere buurt laat hij zien niet bang te zijn voor het vijandige bijenvolk met zijn giftige angels.

Dickie, zo noemen ze hem zoals ze zijn maatje Willem noemen. Achternamen hebben ze niet in de wakkere wereld. Want het zijn volksjongens, jongens die geen afstand nemen van het volk waarin ze zijn opgegroeid. Ze kennen de strijd van de straat, ze weten hoe ze zich op de straat moeten verweren. Vandaar dat Dickie en Willem de koning en de onderkoning van de buurt zijn geworden.

Maar zoals het op straat gaat, zal het leiderschap van Dickie worden betwist. De messen bij de aanhangers van de verliezers zijn geslepen. Er zal geen dag voorbijgaan of het rijk van Dickie Advocaat en Willem van Hanegem wordt aangevallen. De verliezers zijn al bezig met schotschriften vol hanenpoten of hebben zich bij de straatomroep en het buurtkrantje gemeld om hun verdriet te uiten. Maar Dickie en Willem hebben zich al verzekerd van hun eigen straatomroep en buurtkrantje, waarin ze zich mogen verweren. De Dickie's zijn niet gek.

Dickie is een serieuze, aandoenlijke jongen. Hij stottert wanneer het spannend wordt en stampvoet wanneer hij zijn zin niet krijgt. Willem is verlegen en verpakt zijn woorden in een taal die zelfs zijn vijanden doet lachen. Wanneer hij niet serieus wordt genomen, loopt hij verongelijkt weg.

Eigenlijk had Huub Stevens koning moeten worden. Huub is de beste, de jongen met de grootste mond, de jongen die alleman tot zwijgen brengt. Maar Huub heeft geen vrienden in de wakkere wereld, omdat hij uit de verkeerde buurt komt en zich vermaakt met Duitsers een doodzonde in de buurt. Huub is overal de baas. Jammer, dan maar Dickie uit de Haagse Majubastraat, waar hij opgroeide met drie oudere broers en een jongere zus. Vader Jan en moeder Mientje hadden wat te stellen met hun opstandige kinderen. In dat milieu groeide Dickie op, daar leerde hij zijn mouwen op te stropen en te vechten voor zijn plek.

Voetballen leerde hij net als Willem en als Huub op straat. Ellebogen gebruiken, knietjes en kopstoten uitdelen en doortrappen wanneer het hem niet zinde. Straatvoetbal is als het leven, op straat leer je het leven, zegt wereldwijze Huub weleens wanneer hij tegenover zijn kinderen een praatje over overleven houdt. Dickie weet er alles van. Met zijn korte pootjes beende hij tussen de stoepranden heen en weer totdat het te donker was om de bal te kunnen zien. Zo veroverde hij zijn plek in de grote voetbalwereld, ver van de Majubastraat in Den Haag, in Eindhoven en in Schotland, ver van zijn vertrouwde milieu waar zijn moeder stamppot maakte als ze er geld voor had.

Want Dickie heeft vaak heimwee. Met Willem, die hij nog van vroegere buurtgevechten kende, was hij eens in Amerika terechtgekomen. Voetballen had hen weggedreven uit hun vertrouwde wereld. Eenzaam zaten ze daar, totdat Willem ten einde raad een muntje in een jukebox gooide en met zijn dikke vingers een toets indrukte. Een straatzanger met een rauwe stem zong over thuis en over liefde. Dickie huilde en Willem keek voor zich uit, ontheemd. Dickie is Willem er nog steeds dankbaar voor. Want Zo is Dickie, eens een vriend altijd een vriend. Een vijftiger is hij nu, een man die de wereld heeft willen veroveren maar het liefst thuis was gebleven, tussen zijn broers, de schoffies uit de buurt en die uit de andere buurt. Want alleen schoffies kennen het leven.