Hoe kan dat: 2 peilingen en 9 zetels verschil?

Een weekeinde, twee opiniepeilingen over wat de kiezer zou stemmen als er nú Tweede-Kamerverkiezingen zouden zijn (in plaats van op de werkelijke datum, over drieënhalve maand). In de ene peiling, van het gerenommeerde onderzoeksbureau Interview-NSS, verliest de VVD tien zetels en komt uit op 28. In de andere, van het even gerenommeerde NIPO, krijgt de VVD er nog steeds 37. Een verschil van negen zetels. Hoe kan dat?

,,Toeval'', denkt politicoloog C. van der Eijk, hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, gespecialiseerd in kiezersgedrag. Zowel Interview/NSS als NIPO schatten volgens zichzelf, met een onzekerheidsmarge van zo'n 1,5 procent, juist in wat de Nederlandse kiezers op dit moment denken. Dat zou moeten leiden tot een verschil van hooguit twee, drie zetels per partij in de peilingsuitslagen. Maar Van der Eijk denkt dat de representativiteit van de peilingen minder groot is dan de bureaus beweren.

,,Zij doen alsof ze alle Nederlanders in een hoge hoed doen en dan een loting houden. Maar zo is het niet.'' Door invloed van andere factoren, zoals de samenstelling van een huishouden is de werkelijke foutenmarge volgens Van der Eijk ,,anderhalf tot twee keer zo hoog.'' Een marge van vijf procent leidt tot een mogelijk verschil van zevenenhalve zetel per partij.

,,Nee, toeval kan de verklaring niet zijn'', vindt directeur R. Heutink van Interview/NSS, ,,Tenminste, niet de hele verklaring.'' Evenals opinie-onderzoeker R. Freriks van het NIPO wijst hij naar de ,,het telmoment'' waarop de peilingen zijn verricht, en op het verschil van methode tussen beide bureaus. De uitslag van het NIPO, vrijdag gepresenteerd, was bij het bureau zelf op dinsdagavond ,,wel zo'n beetje bekend'', aldus onderzoeker Freriks. Interview/NSS begon ook vorige week vrijdag, maar belde door tot aan donderdagavond. Heutink en Freriks zijn het erover eens dat bij de Interview-uitslag daardoor meer effecten zichtbaar zijn van het moeilijke debat dat VVD-minister Korthals (Justitie) vorige week in de Kamer voerde over de bolletjesslikkers op Schiphol. Dan de methode. NIPO doet onderzoek, per computer, onder 1.200 vaste respondenten, die zij vier jaar geleden ook volgde, zodat ontwikkeling in voorkeuren naar voren komt. Daarnaast zijn 1.200 nieuwe respondent ondervraagd. Interview ondervroeg telefonisch 1.200 willekeurige mensen, maar stelt extra vragen om de uitslagen te wegen. De belangrijkste vraag hier, is wat NIPO al weet: wat stemde u vier jaar geleden? Volgens Heutink leidt een willekeurige meting tot minder ,,politiek correcte antwoorden.'' Volgens politicoloog Van der Eijk schieten methoden tekort, omdat ,,alles wordt vertaald in stemmen'' terwijl echt interessant buiten beschouwing blijft: ,,Ik wil de aarzeling van mensen weten, een lijstje. Als je weet tussen welke partijen ze twijfelen, weet je tenminste wie ze niet kiezen.''