Het museum van vergeten gebaren

Na Naomi Klein die zich tegen de merkenterreur verzette, is er nu weer zo'n bijdetijdse jonge vrouw, Noreena Hertz, die oproept om niet meer mee te doen met de uitverkoop van de nationale staten aan de multinationals. Het klinkt wel een beetje dramatisch, maar het is duidelijk waar het haar om gaat: dat de vrije markt niet de ideale machthebber is. Dat krachtenspel dat alles zo geweldig in evenwicht zou houden, is een tamelijk meedogenloos spel waarin van alles dat mooi en de moeite waard is, vermorzeld wordt. Om nog maar niet te spreken van alle mensen die uitsluitend `goedkope arbeidskracht' zijn.

Ach dat hele verhaal is zo langzamerhand wel bekend, en ook hoe schuldig we zelf zijn met ons materialisme en ons gefunsjop en dat het minder moet en anders. En heel vaak denk ik dan heimelijk dat ik níet zo ben, niet zo consumenterig bedoel ik. Maar dat is helemaal niet waar, ik ben er alleen maar aan gewend geraakt om weg te gooien wat kapot is en dan gewoon iets vervangends te kopen. Sokken bijvoorbeeld. Heus nog wel geleerd, vroeger, hoe dat moest, stoppen. Zo'n vlechtwerkje maken van zo goed mogelijk bijpassende wol. Je zag het altijd heel erg, want mazen, voor een onzichtbare stop, hoefden wij niet meer te leren. Panties trek je soms al stuk bij de eerste keer aantrekken en dan kunnen ze meteen, met een zucht, dat wel de prullenbak in. Het keren van kragen, daar begint helemaal niemand meer aan waar slijtage optreedt is het einde aangebroken. De huishoudelijke kennis en het geduld om van alles te herstellen of weer vlekvrij te maken is enorm afgenomen.

In zijn boek Gesloten huis schreef Nicolaas Matsier over het opruimen van zijn ouderlijk huis en over de dingen die hij daarin aantrof. Onder meer een schrift vol knipseltjes en tips voor allerhande kleine huishoudelijke verbeteringen en ingrepen. Hij las het met verbaasde aandacht: ,,De eenvoud en de armoe. De opgewekte toon van al die hoogstbewerkelijke tips. De tijd, waarover men blijkbaar in onafzienbare overvloed beschikte. Het kennelijk drukke circuit dat er bestaan moet hebben, van mondelinge en schriftelijke overlevering van vlekkenkennis. (-) Wat men allemaal had, aan zijden, flanellen en andere doekjes, aan stalen en rubberen borsteltjes; aan geheimzinnige stoffen, lijnolie en loodazijn, indigo en schellak, aluin en wolvet.''

Het is inderdaad allemaal verbazingwekkend en verbazingwekkend ver weg. De hele mentaliteit, om graag een uur of langer te besteden aan het verwijderen van weervlekken in de gordijnen, het repareren van een paraplu (ze liggen deze dagen overal op straat, omgeklapt, een balein gebroken, dus onbruikbaar geworden) het voorzichtig boenen, schuren, wrijven en festonneren om wat dan ook er weer enigszins `als nieuw' uit te laten zien, is verdampt.

Behalve van zuinigheid en armoe getuigt die zorg ook van een mooi respect voor de dingen. Of het lijkt daar in ieder geval van te getuigen. Dingen moeten lang mee. Dingen moeten heel en gaaf. Een beschaafd mens is zuinig op de spullen die hem omringen. Jaap van Heerden schreef ooit eens hoe Marcel van Dam voor hem definitief door de mand viel toen hij hem op de televisie had zien voordoen hoe je een peer uit een fles Poire Williams krijgt. Van Dam had de fles gepakt en hem gewoon knal! op de grond laten vallen.

Van sokken kun je met droge ogen afscheid nemen. Maar de kast die steeds schever zakt, de tafel met de onuitroeibare vlekken erin, het schaaltje dat een barst heeft die zeker op een dag fataal zal blijken zij moeten blijven en gekoesterd worden, ze zijn er al zo lang, ze kunnen nog best mee, een beetje slijt is eigenlijk wel vertrouwenwekkend. En daardoor kun je denken dat het wel meevalt met je eigen consumentisme.

Maar dan hebben we de computer. Prima computer, was vier jaar geleden een behoorlijk up-to-date ding, werkte uitstekend, is altijd voorzichtig mee omgesprongen want duur. Was zelfs al enigszins verhuiselijkt doordat de `n' al geheel van het toetsenbord gesleten was en de `m' begon te vervagen. Hij begon eigenlijk op een ècht ding te lijken, niet op een zielloze variant daarvan. Maar ineens, van de ene dag op de andere, kon hij allerlei bestanden niet meer vinden. Eigenlijk kon hij niets meer vinden. Als een acuut dement geworden bejaarde stond hij wanhopig te zoeken naar alles wat hij vlak daarvoor nog bij de hand had. En hij kwam er niet uit.

,,Hoe lang wilde je die computer nog houden?'' vroeg de man die een deskundige blik in zijn inwendige had geworpen. En binnen vijf minuten had hij mij duidelijk gemaakt dat wat ik als een bijzonder waardevol instrument beschouwde, een prachtmachine die mij nog lang zou vergezellen, in zijn ogen waardeloze schroot was. En dat zijn ogen daar eigenlijk wel een min of meer objectieve kijk op hadden.

De consumptiekul. Hoe iets ongeveer een half jaar, hooguit, begerenswaardig is en dan al spoedig vervalt tot achterhaalde rotzooi. Hoe hier helemaal geen ontsnappen aan is, tenzij door je keihard om te draaien en terug het verleden in te hollen, maar wat moet je daar. Hoe al die slimmeriken die het ene prachtprogramma na het andere ontwikkelen, tegelijkertijd, via de computerbranch, mij aan hun touwtjes hebben, want ik moet met ze mee de toekomst van de nog snellere, nog meer geheugen vragende mogelijkheden in, anders verval ik tot de schrijfmachine en die heeft ongeveer de status van de gulden.

Een vlekkenschrift, geduld, kleine borsteltjes, mooi kunnende mazen het brengt allemaal geen uitkomst meer. Dat soort bezigheden zijn museaal geworden. De Vlaamse dichter Marc Tritsmans schreef eens ,,Dat mijn overgrootvader op straat als groet/ even de rand van zijn hoge hoed beroerde/ en elke avond op de trap de kaarsvlam/ met zijn hand tegen de tocht behoedde/ [...] En hoe wij dag na dag met vergelijkbare/ onachtzaamheid de gordijnen sluiten, een bladzij van een boek omslaan''. Hij noemt nog wat van onze dagelijks herhaalde gebaren en besluit dan dat dit alles ,,geruisloos/ verdwijnt in het museum van Vergeten Gebaren.'' Zo is het.

Vooruit dus! De toekomst in!