Henze plet klanken tot dichte massa

Eén associatie drong zich tijdens de zaterdagse Matinee in het Concertgebouw steeds sterker op: de uitermate luidruchtige orkesttutti in het werk van componist Hans Werner Henze (1926) herinneren aan het aanstampen van vuilniszakken. Henze's emotionele stortvloed veroorzaakt een vergelijkbare geplette klankmassa. Pas daar waar in zijn lyrische overdaad lucht schuilt valt er het nodige te genieten. Uiteraard ontbreekt in een genre als het strijkkwartet dat benauwde geweld en zo kon de uitvoering van Henze's Vijfde strijkkwartet uit 1976-1977 uitgroeien tot een bijzondere ervaring.

Ten onrechte wordt Henze steeds maar weer geassocieerd met opera's en opera-achtige symfonieën. In het centrum van het zelden gepeelde kwartet citeert hij zijn opera We come to the river, gecomponeerd als een woedende aanklacht tegen geweld dat zich afspeelt op drie podia tegelijk. Daarnaast overheerst in het kwartet een surrealistische droomstemming, geheimzinige flarden die in het sublieme spel van het Arditti Kwartet zowel fantasierijk als dwingend overkwamen.

Rondom het kwartet werden werken uitgevoerd van Thomas Adés (1971): de pianosolo Darknesse Visible naar Dowlands luitlied In darknesse Let Mee Dwell en een Pianokwintet, geschreven voor het Melbourne Festival van 2001. De hergroepering van Dowlands segmenten ontgaat je. De luisteraar wordt en blijft gefascineerd door het continue tremelo dat met behulp van geraffineerd pedaalgebruik het instrument omtovert tot een soort van exotisch hakkebord. Het is alsof de pianist/componist niet piano speelt, maar een Koreaanse yang-gum.

Maar Adés is ook in staat uit een ander vaatje te tappen. Zo is het kwintet niet alleen gebaseerd op segmenten uit Beethovens Pianosonate in D opus 28 `Pastorale'. Het stuk is ook doortrokken van een Beethoveniaanse geest, ditmaal allerminst exotisch gemarineerd en on-Henziaans stuwend en gespierd. Alleen de compacte schrijfwijze van het als één instrument behandelde kwartet herinnert aan het dichtgeplakte karakter van Henze's muziek.

Later op de middag musiceerde het Radio Filharmonisch Orkest onder de gedreven leiding van Ingo Metzmacher, die één is met de musici, wars van elke show, eerst in Henze's Fraternité, Air pour l'orchestre, geschreven voor het New York Philharmonic Orchestra als een commentaar op de millenniumwisseling. Het impressionistische begin weet te boeien, maar helaas loopt dat uit in een geplette overdaad.

Veel overtuigender is Ariosi voor sopraan, viool en orkest uit 1963, vooral sterk in het kwasi-barokke spreekgezang, zoals in een zinsnede over de zoete dood die geeft wat de liefde niet gaf: een laatste bestemming. De bitterzoete Tasso-tekst is een kolfje naar de hand van Henze en bleek ook besteed aan de sopraan Christiane Oelze, verenigd in een slanke sereniteit met de schaduwzang van violist Thomas Zehetmaier.

Het concert werd besloten met Mahlers meest blijmoedige symfonie, de Vierde, door Metzmacher in één grote lijn gevat, culminerend in de angelieke vreugden van het Sehr Behaglich. Dit mag dan het nodige weggooi-materiaal bevatten, uiterst naïeve folklore, maar Mahlers ijzersterke setting werkt ontroerend. En dat is iets waarnaar Henze in zijn al even dagboekachtige muziek eveneens streeft.

Concert: Radio Filharmonisch Orkest o.l.v. Ingo Metzmacher en Arditti String Quartet. Gehoord: 26/1 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 29/1 20.02 uur.