Geen weemoed is zo bitterzoet als van de Russen

In muziek hoort een Rus zich vanaf de eerste klank thuis te voelen, en moet de buitenlander weten: hier spreekt een componist die zijn afkomst trouw is. Het was Mikhail Glinka (1804-1857) die zijn muziekesthetisch ideaal zo vaderlandsgetrouw formuleerde, en aldus de poorten opende naar de veelal nationaal georiënteerde Russische opera in de negentiende eeuw.

Het Residentie Orkest bracht dit weekend driemaal een zwaar beladen programma met hoogtepunten uit tachtig jaar Russische opera van de nog wat klassiek aandoende Glinka tot de hoogromantische Rachmaninov. Gekozen werd voor een drietal solisten, waarin met bas Sergej Leiferkus, de jeugdige tenor Daniil Shtoda en bovenal sopraan Marina Shaguch inderdaad de top van het Russisch solistendom was vertegenwoordigd.

Dirigent Alexander Vedernikov begon in september als chef-dirigent van het Bolsjoi Theater in Moskou, welke post hij opmerkelijk genoeg combineert met een gastdirigentschap bij het Noord Nederlands Orkest. Voor het Residentie Orkest presenteerde hij zich nu als een kundig, zeer ambachtelijk ingesteld dirigent. Uit zijn visie op de vele zeer hartstochtelijke aria's en Borodins opzwepende Polovetser dansen sprak soms wat weinig onderbuikgevoel, maar dat gemis werd gecompenseerd door technisch bevredigend orkestspel, waarin vooral de houtblazersklank excelleerde.

Het is opmerkelijk dat de geboden dwarsdoorsnede van een krappe eeuw Russische opera eerder de inhoudelijke parallellen dan de stilistische verschillen in het oor deed springen. Sopraan Marina Shaguch, wier stem als een bronzen paleis begin vorig seizoen onder Valery Gergjev al grote indruk maakte, betoverde in de cavatine uit Roeslan en Ljoedmila van Glinka meteen met haar gonzende ruimtelijkheid door alle registers. Haar timbre maakte ook een klein wonder van het vreugdevolle lied van Marfa uit Rimski Korsakovs De bruid van de tsaar, waarin op typisch Russische wijze in elke bezongen zonnestraal een ondertoon van levensomarmende melancholie meetrilde.

Veel vaker nog dan Shaguch, was bas-bariton Sergej Leiferkus in het Concertgebouw te beluisteren. Zijn robuuste aandeel in de aria's van Aleko en Prins Igor uit de gelijknamige opera's van Rachmaninov en Borodin was daardoor misschien minder verrassend, maar zeker niet minder indrukwekkend. Bij uitstek verrassend bleek daarentegen het aandeel van de piepjonge tenor Daniil Shtoda (1977), die nog studeert aan de academie van het Mariinski Theater maar wel reeds een eerste solo-album uitbracht. Inderdaad bleek Shtoda in de cavatine uit Dargomyzsjky's Roessalka te beschikken over een zeldzaam soepele stem, die het verdient met gespannen aandacht in de ontwikkeling te worden gevolgd. Russische tenoren met een zodanig licht en wendbaar geluid zijn een schaars goed.

Het deel na de pauze was integraal gewijd aan scènes uit Tsjaikovski's Jevgeni Onjegin, waarin deze drie met recht Grote solisten in herinnering brachten dat geen weemoed bitterzoeter smaakt dan juist de Russische weemoed – en vooral wanneer zij door topstemmen wordt bezongen.

Concert: Residentie Orkest o.l.v. Alexander Vedernikov m.m.v. Sergej Leiferkus, Marina Shaguch en Daniil Shtoda. Programma met werken van Glinka, Dargomyzjsky, Moessorgski, Rimski-Korsakov, Rachmaninov, Borodin en Tsjaikovski. Gehoord: 26/1 Concertgebouw, Amsterdam.