Eén landelijke recherche wapen tegen misdaad

De Nederlandse recherche behoeft verbetering. Niet door het optuigen van al bestaande diensten maar door de instelling van één landelijk recherchesysteem, vinden Jo Horn en Peter van Heemst.

De prestaties van de recherche in Nederland schieten op een aantal terreinen tekort. Het duidelijkst komt dat tot uiting in de dalende ophelderingspercentages. De Nederlandse ophelderingspercentages zijn – in vergelijking met het buitenland – dramatisch laag. Werd in 1950 nog ongeveer 80 procent van de geregistreerde misdrijven opgelost, nu is dat percentage tot onder de 15 procent gedaald. Voor sommige delicten, zoals diefstal van een auto of diefstal uit een woonhuis is dat percentage nog aanzienlijk lager. In 1994 werden 236.000 misdrijven opgehelderd. In 1998 nog maar 202.600.

Lang niet alle misdrijven zijn bij de politie bekend. De geregistreerde criminaliteit vormt slechts een topje van de ijsberg. Uit onderzoek van de Stichting Maatschappij en Politie blijkt dat uiteindelijk minder dan één procent van de delicten tot een opheldering leiden.

De kosten per opgehelderde zaak zijn in Nederland in vergelijking met het buitenland relatief hoog. Reden te meer om de organisatie van de recherche in Nederland kritisch onder de loep te nemen.

Natuurlijk is het niet allemaal kommer en kwel. Er worden ook successen geboekt. Recente doorbraken in een aantal niet opgehelderde moordzaken laten zien dat de Nederlandse politie werk van zeer hoge kwaliteit kan leveren. Door gecoördineerde en gerichte acties werd enkele jaren geleden het aantal roofovervallen drastisch teruggebracht.

Maar waar het om gaat is dat de organisatie en de kwaliteit van de recherche zowel op lokale, regionale als landelijke schaal tekortschiet. Er wordt te veel langs elkaar heen gewerkt, de informatie-uitwisseling tussen de korpsen en tussen politie en andere opsporingsinstanties schiet tekort. Op een aantal terreinen is binnen de regionale korpsen vaak onvoldoende deskundigheid aanwezig, bijvoorbeeld terzake van zedenmisdrijven, fraude, mensensmokkel en vrouwenhandel. Bovendien is de uitbreiding bij de politie vooral gericht op meer blauw op straat. De recherche is als gevolg daarvan wat achteropgeraakt.

Een ander probleem is dat door coördinatieproblemen tussen de lokale en de regionale recherche zaken tussen de wal en het schip vallen. Het gaat daarbij om misdrijven die de deskundigheid van de lokale recherche te boven gaan. Op centraal niveau komt men aan die zaken echter niet toe omdat ze bij de prioriteitstelling door de zeef vallen. Te groot voor het servet en te klein voor het tafellaken.

Ook een probleem is het feit dat niet zelden zaken geïsoleerd bekeken worden, waardoor een bepaald probleem lijkt mee te vallen. Zo heeft het hier en daar een tijd geduurd voordat de roofovervallenproblematiek krachtig aangepakt werd.

Niet voor niets luidde kortgeleden een projectgroep, onder leiding van de Amsterdamse (hoofd)commissaris J. van Riessen, de noodklok met het rapport Misdaad laat zich tegen houden. In het rapprt werd gepleit voor het uitbreiden van de capaciteit van de recherche, kwaliteitsverbetering, het aantrekken van andere politiemensen dan de klassieke speurder.

Opmerkelijk in het advies is vooral het pleidooi voor het instellen van een 27e politiekorps met als taak de aanpak van bovenregionale, nationale en internationale taken.

De Korpsbeheerders en de Raad van Hoofdcommissarissen hebben in een brief aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie de instelling van een nieuw landelijk korps afgewezen. Terecht. Er is geen enkele reden om naast het al landelijk opererende Korps Landelijke Politie-diensten (KLPD) nog een nieuwe landelijke organisatie in het leven te roepen.

Wat de beide organisaties daar echter voor in de plaats stellen is op zijn gunstigst te bestempelen als een wangedrocht. In een soort Kremlinproza wordt wel gepleit voor een landelijke recherche, maar niet voor een landelijke rechercheorganisatie. Het uitgangspunt daarbij is dat het beheer, gezag en aansturing van de kernteams georganiseerd blijven zoals dat nu het geval is. Maar dan `in onderlinge samenhang'.

Het is winst dat de korpsbeheerders en de hoofdcommissarissen, evenals overigens het College van Procureurs-Generaal voor een landelijke recherche zijn.

In het huidige voorstel behouden de zeven bestaande kernteams echter elk hun eigen bestuurlijke bazen. Daarboven komt wel een landelijk orgaan. De regionale teams worden als het ware met een touwtje aan elkaar geknoopt. In de praktijk zal dat model niet werken. Te veel bazen, onduidelijke samenhang, geen heldere bestuurlijke en operationele aansturing.

Wat is er tegen het onderbrengen van de bestaande kernteams in één organisatie met één duidelijke operationele leiding en met daarboven één bestuurlijk gezag? En wat is er tegen om die landelijke opsporingseenheid onder te brengen bij het al bestaande Korps Landelijke Politiediensten? Waarschijnlijk zullen een aantal aanpassingen in de organisatie van dat KLPD moeten plaatsvinden. Maar so what? De kernteams zullen ook in een nieuw model zoveel mogelijk gedeconcentreerd blijven werken. Er ontstaat echter door het creëren van één centraal gezag en één centrale leiding de samenhang die tot nu toe heeft ontbroken.

De politieministers zouden er goed aan doen de invoering van een landelijk samenhangend recherchesysteem niet op de lange baan te schuiven. Dat impliceert naast de oprichting van een nationale recherche-eenheid ook aandacht voor de recherchefunctie in de regionale korpsen. Zowel uitbreiding van het aantal recherchemensen, als verbetering van de kwaliteit en het versterken van de onderlinge samenhang zijn daarbij noodzakelijk. De tijd van vrijblijvendheid en `voor elck wat wils' is voorbij.

Peter Van Heemst en Jo Horn maken deel uit van de Tweede Kamer en zijn lid van de PvdA-fractie.