Doden door Zweedse band

Het gebruik van de Zweedse band (vastbinden) in de gehandicaptenzorg is ,, beneden de maat''. Hierdoor sterven jaarlijks twee tot drie patiënten, zowel in de gehandicaptenzorg, als in de geestelijke gezondheidszorg en ziekenhuiszorg. Ook doet zich een veelvoud voor aan bijna-ongelukken.

Dat schrijft de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) in het vandaag gepubliceerde onderzoeksrapport `Risico's bij het gebruik van de Zweedse band in de gehandicaptenzorg'. Volgens het rapport zijn veel medewerkers in de zorg onvoldoende bekend met de risico's die het gebruik van de Zweedse band met zich meebrengen, wordt in de instellingen voor gehandicapten onvoldoende nagedacht over alternatieve methoden en is er onvoldoende aandacht voor protocollering (opstellen van richtlijnen) voor deze vorm van fixeren.

Vastbinden gebeurt wanneer verstandelijk gehandicapten een gevaar voor zichzelf of anderen vormen. Een Zweedse band, meestal gemaakt van stevig katoen, wordt rond het middel bevestigd en aan een bed of een stoel vastgemaakt, zodat de patiënt niet uit het bed of uit een stoel kan vallen. Het meeste wordt deze gebruikt in algemene zwakzinnigeninrichtingen. Ongeveer 7 procent (2001) van de verstandelijk gehandicapten die daar verblijven worden in bed gefixeerd door middel van de Zweedse band. Desondanks komt het veelvuldig voor dat gehandicapten uit bed hangen, met als gevolg dat ze onder de blauwe plekken zitten, zich (bijna) ophangen, huid- en zenuwbeschadigingen oplopen of in ademnood raken doordat de banden onder hun borst of ribben blijven hangen.

De Inspectie onderstreept de noodzaak om protocollen voor het gebruik op te stellen.