Casino-kapitalisme

Enron was Amerika's voorland. Zo deed je zaken in de 21ste eeuw. Nu de handelaar in energie en mooi weer failliet is, maakt Amerika de schade op. Gepensioneerden en aandeelhouders zijn geruïneerd, reputaties geknakt. De Amerikaanse elite heeft zich met open ogen om de tuin laten leiden. Was de democratie te koop? Het Congres hield de afgelopen week de eerste van een serie hoorzittingen.

Het systeem-Enron was zeker origineel. Wat vijftien jaar geleden begon als een saaie exploitant van gaspijpleidingen groeide uit tot een onnavolgbaar financieel goochelhuis. Bij Enron in Houston stond alles in dienst van het modernste doel: een steeds hogere beurskoers. De handel werd bijzaak – de waarheid, de werknemers en de aandeelhouders het kind van de rekening.

Enron was alles waar Amerika altijd het beste in is geweest: nieuwe ideeën omzetten in wereldwijd gewilde producten. De mannen uit Texas doken overal op, van Californië tot Australië, van Europa tot India, om hun innovatieve handel in energie aan de man te brengen. Het verhaal ging te snel om 't helemaal uit te leggen, maar de winsten waren fenomenaal, dus het zou wel goed zitten.

De laatste dagen wordt steeds duidelijker dat Enron in werkelijkheid verder en verder afraakte van zijn vak, energie vervoeren en verkopen. Zoals een deskundige uit de wereld van het snelle geld donderdag voor de Senaat constateerde: ,,Enron was in de kern een derivaten-handelaar geworden''. Daar werd het geld mee verdiend. Daar werd de ondergang mee afgedekt en uiteindelijk versneld.

Derivaten zijn ingewikkelde contracten, die hun waarde ontlenen aan onzekerheden, variërend van de toekomstige elektriciteitsprijs tot de vraag naar ruimte op glasvezelkabels. Enron overspeelde zijn hand met deze lucratieve maar riskante operaties en verzon dan weer nieuwe derivaten om de kolossale verliezen te verstoppen in een struikgewas van dochterondernemingen.

De fictieve waarde van deze parkeerfondsen werd door het moederbedrijf als winst opgevoerd, de verliezen jarenlang niet afgeboekt. Toen Enron op 16 oktober moest toegeven dat het 1,2 miljard dollar minder waard was – waarschijnlijk een schijntje van het echte probleem – werd de cascade van instortende beurskoers en lagere `credit rating' ingezet die op 2 december leidde tot de aanvraag van surseance, het voorportaal van het faillissement.

Om in de jaren negentig ongestoord te kunnen bouwen aan dit virtuele `energie-, handels- en communicatiebedrijf' en zo de beurswaarde op te blazen tot 70 miljard dollar moest Enrons oprichter Kenneth Lay een web van medeplichtigen weven. Die zorgden dat het toezicht op de energiehandel gestaag werd verminderd en het toezicht op de handel in financiële `futures' en derivaten er niet kwam.

Doctor in de economie Kenneth Lay had in zijn jonge jaren gewerkt bij de federale commissie die toezicht houdt op de energiehandel. Hij wist welke regels hij kwijt moest zien te raken. Om zijn markten in licht, telefoon-capaciteit, weersvoorspellingen en zelfs pornokanalen tot snelle bloei te kunnen brengen had Enron behoefte aan zo min mogelijk toezicht. Met behendig rondgestrooide dollars wist het bedrijf politici, commissarissen en controleurs aan zich te binden. Die pleitten voor steeds meer deregulering en zwegen over wat het daglicht niet kon verdragen.

Hij werd de grootste financiële ondersteuner van de politieke loopbaan van George W. Bush. Hij gaf meer dan de helft van de leden van het Congres campagnebijdragen. Hij mat zich een korps uitgelezen lobbyisten aan om in Washingtons corridors van de macht het dereguleringsgeloof te prediken. Onder hen: James Baker III (minister van Buitenlandse Zaken onder president Bush senior), Clintons topadviseurs Jack Quinn en Mick McLarty, en Marc Racicot, de nieuwe voorzitter van de Republikeinse partij.

De lijst veldwerkers is veel langer. Het systeem was subtiel genoeg om de deelnemers in alle partijen te zoeken, al had Lay ideologisch meer aan Republikeinen. De op een na meest door Enron gesubsidieerde senator, Phil Gramm uit Texas, was niet alleen een persoonlijke vriend. Zijn vrouw zag er als voorzitter van de commissie voor Regulering van financiële futures onder de eerste president Bush op toe dat er geen regulering kwam.

Toen dat voor elkaar was, nam Wendy Gramm zitting in de raad van commissarissen van Enron, waar zij in totaal een miljoen dollar aan vergoedingen incasseerde. De senator meende er goed aan te doen deze week bekend te maken dat zijn vrouw meer dan 600.000 dollar had verloren door het waardeloos worden van het aandeel-Enron. Kenneth Lay betaalde als hij kon in aandelen. Zelf verkocht hij ze op tijd.

Enron was het postkapitalisme – zonder kapitaal, zonder kapitaalgoederen en zonder product. Een ondoorzichtig maar ultramodern bedrijf, waar de werknemers meedeelden in de voorspoed, waar de dokter in huis gratis spreekuur had. Alles voor winstgroei en de koers. Daarom was Enron de absolute lieveling van investment bankers. Twaalf van zeventien beursanalisten die Enron systematisch volgden adviseerden begin december (toen het aandeel van 90 dollar was gekelderd tot 67 cent) nog dat het aandeel een hold of een buy was.

Geen toeval dat de echte piek in winstgroei en aandelenkoers kwam op het hoogtepunt van de internetrage, de late Clinton-jaren, 1999 en 2000, met een nabrander begin 2001. Arthur Levitt, de vorige president van de Securities and Exchange Commission, Amerika's beurswaakhond, zei afgelopen week in een hoorzitting van de Senaat: ,,De ineenstorting van Enron gebeurde tegen de achtergrond van obsessieve ijver bij te veel Amerikaanse bedrijven om van jaar tot jaar steeds grotere winstcijfers te produceren. Bij de SEC noemde ik dit de cultuur van gewiekstheid, een gewiekstheid die zegt dat het goed is om de hand te lichten met de regels, om de cijfers bij te punten en niets te zeggen over evidente verschillen tussen de cijfers en de feiten, een cultuur waarin accountants liever andere diensten verkopen dan de boeken controleren, waarin analisten afhankelijk zijn van de inkomsten van de zakenbank waar zij voor werken.''

Levitts pogingen de accountancy aan enige regels te binden liepen vast in het Congres. Senator Gramm wist eind 2000 in een van de laatste wetten van president Clinton een passage opgenomen te krijgen die de energiehandel vrijwaarde voor regelgeving of toezicht. Toen de (nog door Clinton benoemde) voorzitter van de Federale Energie Reguleringscommissie (FERC) in 2001 geen aanhanger van de Enron-doctrine bleek, benoemde president Bush een nieuwe voorzitter: de jonge Texaan Pat Wood, een suggestie van Kenneth Lay.

Dat is het soort invloed dat Enron kocht met zijn politieke donaties. Toen vorig jaar in Californië de lichten bij herhaling uitgingen, ontmoette Lay vice-president Cheney en drukte hem op het hart geen prijscontrole in te stellen. De volgende dag sprak president Bush zich daartegen uit. De nieuwe FERC-voorzitter greep zes maanden niet in. De noodsituatie in Amerika's dichtstbevolkte staat was ten dele een uitvloeisel van een ondoordachte dereguleringspolitiek. De vrije handelaren in elektriciteit konden in een bestuurlijk vacuüm de prijs ongehinderd opdrijven door het aanbod te manipuleren. De `crisis' kostte Californië 50 miljard dollar. Enron behoorde tot de bedrijven die dat bedrag binnenhaalden. De regering-Bush ging na maanden overstag. Toen Pat Wood de prijzen mocht begrenzen, bleek er genoeg stroom te zijn.

Het Witte Huis wast de handen dezer dagen in onschuld, wijzend op de vergeefse telefoontjes van Kenneth Lay naar minister van Financiën O'Neill en minister van Handel Evans. Larry Lindsey, de economische adviseur van president Bush, die in 2000 nog voor 50.000 dollar op de adviseurslijst van Enron stond, stak geen vinger uit. De regering was aantoonbaar niet te koop, aldus de redenering. Men liet Enron gewoon failliet gaan. ,,Bedrijven komen en gaan, mensen nemen goede en slechte beslissingen, dat is het mooie van het kapitalisme'', zei O'Neill in een poging tot luchtigheid. Kortom: niks mee te maken.

President Bush geniet nog steeds een oorlogsachtig vertrouwen bij het Amerikaanse volk. Vice-president Cheney heeft het moeilijker om niet met het Enron-schandaal te worden geassocieerd. Hij heeft onder grote druk moeten toegeven dat hij en zijn staf zes keer Lay en zijn mensen hebben gesproken over het energieplan dat vorig jaar onder leiding van het Witte Huis werd opgesteld. Cheney leidde die operatie. Het plan gaf Enron op zeventien punten zijn zin, hebben Congresleden vastgesteld. Zij blijven aandringen op meer details. Intussen is ook gebleken dat Cheney namens Enron moeite heeft gedaan om de verkoop van een problematische elektriciteitscentrale in India vlot te trekken. Dat zou Lay ruim twee miljard dollar hebben opgeleverd die hij goed kon gebruiken.

Het misschien wel grootste rendement dat Lay van zijn politieke investeringen kreeg was de belastingwet die president Bush vorig voorjaar aangenomen kreeg: over tien jaar uitgesmeerde belastingverlaging voor de hoogste inkomens. Als de economische stimuleringswet, die de president wenst en die het Huis van Afgevaardigden al heeft aangenomen, in december ook door de Senaat was gekomen, had Enron een meevaller van 254 miljoen dollar ontvangen. Een boeiend vooruitzicht voor een bedrijf dat de laatste vijf jaar maar één jaar vennootschapsbelasting betaalde dankzij het gebruik van een arsenaal trucs, waaronder het gebruik van 900 dochterondernemingen in belastingparadijzen.

Hoe de reële economie had geprofiteerd van een nieuw douceurtje voor Enron vertelt het verhaal niet. Maar Enron hoorde ook nauwelijks bij de menseneconomie. Jeff Skilling, de van McKinsey overgekomen tweede man en de architect van Enrons transformatie tot een online handelaar in handel, pochte wel eens dat dit bedrijfsconcept zulke achterhaalde begrippen als eigendom en bezit achter zich had gelaten. Voor de werknemers, die steevast te horen kregen dat beleggen in het eigen bedrijf goed was voor hun oude dag en de beste bescherming bood tegen overvallen van buitenaf, blijkt Enron inderdaad een virtueel bezit te zijn geweest.

De val van Enron heeft achteraf lang op zich laten wachten, gezien de honderden miljoenen aan fictieve winsten die de schijn moesten ophouden. Terwijl de internetvliegen bij honderden tegen de lamp vlogen, hield Enron het nog een half jaar uit. De juichende beursclaque was te zeer verslingerd aan de financiële tovenaars uit Houston. De accountants van Arthur Andersen hadden al te veel jaarrekeningen goedgekeurd.

Wat blijft na de ondergang is een vaal licht op Amerika's zakelijke beschaving, een giftige damp van bedrogen democratische idealen en een spoor gedupeerden en medeplichtigen. Washington en Wall Street zijn te diep met het schandaal verweven om zich ongezien van dit commerciële Ground Zero te kunnen verwijderen. Enrons geld laat hardnekkige sporen na. De een na de andere senator probeert de besmette donaties te schenken aan benadeelde werknemers, nu het te laat is.

Amerika is heel wat vrije jongens gewend, maar dit grootste bankroet aller tijden laat de meesten verbijsterd achter. De meesten van de 20.000 werknemers van het futuristische bedrijf zagen hun in Enron-aandelen belegde pensioen binnen een paar weken waardeloos worden. Terwijl zij wegens een bestuurswisseling in het pensioenfonds in de rampzalige oktobermaand hun aandelen niet konden verkopen, maakte de top nog snel zijn pakketten te gelde. Na een hoogste koers van 90 dollar in 2000 was 45 dollar per aandeel begin oktober nog altijd de moeite waard, vergeleken bij de 67 dollarcent waarop het aandeel van de beurs werd gehaald.

In augustus adviseerde Enron-topman Kenneth Lay zijn mensen met een gerust hart bij te kopen, terwijl hij van verschillende kanten was gewaarschuwd dat het kaartenhuis kon instorten als de toegepaste boekhoudtrucs aan het licht zouden komen. De 29 topbestuurders en commissarissen incasseerden 1,1 miljard dollar in 2001. In Lay's contract staat een levenslang pensioen van 475.042 dollar; Enron betaalde 1,25 miljoen voor een lijfrente van 12 miljoen dollar. Mr. Enron trad deze week af bij het sinds 2 december failliete Enron omdat hij ,,wil dat het bedrijf overleeft''.

Woorden als spijt en berouw heeft Lay nog niet gebruikt. Kennelijk dacht Clifford Baxter, voormalig vice-voorzitter van Enron, daar anders over. Hij werd vrijdag dood gevonden in zijn auto met een kogel door zijn hoofd – de politie gaat uit van zelfmoord. Baxter nam mei vorig jaar ontslag, enkele maanden voordat het bedrijf in elkaar stortte.

En dan te bedenken dat Enron minder dan een jaar geleden zevende was op de Fortune-index van 500 best presterende bedrijven. Het beweerde 100 miljard dollar te hebben verdiend in 2000. Daarmee liet Enron namen als IBM, Philip Morris, Boeing, Bank of America en Chevron achter zich. Het blijkt nu grotendeels optiek en akoestiek te zijn geweest, mogelijk gemaakt doordat het bedrijf zijn omzetten bij energiecontracten als inkomen opvoerde, en niet slechts de verdiende commissies, wat normaal zou zijn geweest.

Hoe kon het zo ver komen, vraagt Amerika zich verbluft af. ,,De adembenemend snelle ineenstorting van Enron is geen geïsoleerd incident dat kan worden afgedaan als enig in zijn soort, dat onder het kleed kan worden geveegd en genegeerd'', zei Scott Cleland, directeur van de Precursor Group, een onafhankelijk adviesbureau, ten overstaan van een onderzoekscommissie uit het Congres. Volgens hem spelen systematische belangenconflicten een veel grotere rol dan Congresleden, toezichthouders, investeerders en de pers beseffen.

Columnist Richard Cohen van The Washington Post schreef dat het tot daar aan toe is dat Robert Rubin, minister van Financiën onder president Clinton, als huidig topman van Citigroup (die een klein miljard van Enron tegoed heeft) naar zijn oude ministerie belde om steun voor de wankelende energiereus te vragen. Noch is het strafbaar dat Enrons oprichter en bestuursvoorzitter Kenneth Lay zijn vrienden in de regering-Bush belde.

,,Nee, dit is geen politiek schandaal'', brieste Cohen. ,,Dit is een cultureel evenement, een systematische collaps, een misdrijf van zulke adembenemende proporties dat wij arme krabbelaars er geen categorie voor hebben. Wij weten niet hoe we `boef', `dief' en `gluiperd' moeten zeggen tegen topzakenlieden die voor 1,1 miljard dollar aandelen in hun eigen bedrijf verkochten terwijl zij – waarschijnlijk, misschien, naar men zegt – wisten dat 600 miljoen aan verliezen buiten de boeken was gehouden.''

Het online magazine Salon, dat de internet-epidemie tot dusver heeft overleefd, schreef ongeveer het tegendeel: ,,Als dit geen politiek schandaal is, wat dan wel?'' Vervolgens wijst het blad op alle maatregelen die Washington heeft genomen of nagelaten om het Enron naar de zin te maken. De eerste getuigen, afkomstig uit academische kring, die deze week de Senaat kwamen vertellen wat er werkelijk is gebeurd leken het daar wel me eens. Het Congres heeft gezorgd dat Enrons bankroof voor een aanzienlijk deel legaal was.

Het illegale deel was mogelijk dankzij het systematisch falen van de poortwachters, zoals Frank Partnoy vaststelde. Hij is hoogleraar in het aandelenrecht en ex-handelaar in het soort financiële producten waar Enron in handelde – ,,in een door het Congres gecreëerd toezichtvacuüm''. De accountant hield zijn mond, de zakenbank werkte mee met het opzetten van dubieuze dochterondernemingen, de beursanalisten juichten de koers omhoog en de `rating agencies' (Moody's, Standard and Poor's en dergelijke) keken niet door de vervalste cijfers heen en bleven Enron kredietwaardig verklaren.

Waarom lieten regering en Congres dit jaren toe? Omdat Enron Amerika's voorland was, omdat het de meest serieuze connectie tussen de internetrevolutie en de echte wereld van gas, water, licht en risico leek te zijn. Niemand had een naar woord over voor een bedrijf dat gul is voor de gemeenschap en er in slaagt met schone handen miljoenen te verdienen.

En vooral toch de financiële banden. Amerikaanse politici klagen dat zij zo verschrikkelijk veel geld moeten inzamelen om genoeg reclame voor zichzelf te maken. De bedragen worden bij iedere verkiezing astronomischer. Maar als het aan komt op stemmen over wetgeving om dat giftencircus te temmen, komen de mitsen en de maren. Zij vrezen niet herkozen te worden zonder al die ellendige miljoenen. En de gevers laten weten dat zulke wetgeving heel verkeerd is.

De lijst ontvangers van Enron-donaties is indrukwekkend. Zelfs senator John McCain, de grote voorvechter van zuivering van het systeem van politieke donaties, moest bekennen dat hij dollars van de gunsten-handelaar uit Houston heeft aangenomen. Van Texas tot New York lopen Congresleden met Enron-geld op zak.

Dat is niet illegaal onder de geldende wetgeving. Net zomin als het geval van die rechter in Texas, die ook Enron-zaken te doen had, en haar herverkiezingscampagne medefinancierde met een Enron-bijdrage. Toch heeft president Bush deze week aanleiding gezien zijn oude vriend en filantroop, die hij aansprak als Kenny Boy, te laten vallen. Nadat hij eerder had gesuggereerd dat Lay in 1994 even veel steun had gegeven aan Ann Richards, de Democratische gouverneurskandidaat in Texas.

,,President Bush' verklaring van zijn relatie tot Enron was op zijn best een halve waarheid'', aldus Craig McDonald, directeur van de actiegroep Texans for Public Justice. ,,Hij lag al in bed met Enron voordat hij een politiek ambt bekleedde.'' In '94 kreeg Richards 19.500 dollar van Enron, terwijl George W. Bush in '93 en '94 van het bedrijf 146.500 dollar ontving. Dat was een typerende verdeling van gunsten voor Enron. Democraten krijgen ook wat. Zie senator Lieberman, kandidaat vice-president naast Al Gore en nu voorzitter van de Senaatscommissie die donderdag de eerste Enron-hoorzitting hield. Ook hij voerde campagne met Enron-centjes. Net als de meeste van zijn mede-commissieleden.

Enron blijft invloed uitoefenen, ook nadat het bedrijf is verworden tot onderwerp voor een anatomische les van de Amerikaanse democratie. De waarschijnlijke nieuwe leider van de Republikeinse meerderheid in het Huis van Afgevaardigden, Tom Delay uit Texas, incasseerde tussen '89 en '01 in totaal 28.900 dollar. Hij verklaarde onlangs dat zijn geloof in energiederegulering ongebroken is. En hij is fel tegen herziening van de regels voor campagnefinanciering.

Halliburton, het energie-constructiebedrijf waar Cheney topman van was tot zijn benoeming in Washington, bouwde het Enron-stadion dat Houston een sportief hart gaf. Robert Zoellick, de minister van Buitenlandse Handel, zat in een adviesraad van Enron. Onderminister voor het Leger Thomas White was tien jaar directeur voor overheidsleveranties bij Enron. Hij tekende een belangrijk contract met Enron toen hij net op het Pentagon was gearriveerd. Minister van Justitie John Ashcroft moest zich terugtrekken uit het justitieel onderzoek naar mogelijk strafbaar gedrag bij Enron: hij ontving 57.500 dollar voor zijn vergeefse senaatscampagne in 2000.

De lijst met connecties tussen de huidige regering en Kenneth Lay's imperium is lang, maar daarmee nog niet strafbaar. Als er een schandaal is, en daar zijn bladen zo uiteenlopend als The Economist en The Nation het wel over eens, dan is het dat Enron zijn hele arsenaal boekhoudkundige listen bij vol daglicht en grotendeels in overeenstemming met de wet heeft kunnen uitbouwen. Omdat het de tijd perfect begrepen had en de wetgever had opgekocht. One Market under God: extreme capitalism, market populism and the End of Economic Democracy was het boek waarin Thomas Frank twee jaar geleden met vooruitziende blik Amerika's ethos had beschreven.

Is Enron een symbool van de totaal waardenvrije nieuwe economie, het super-ik-tijdperk? Of de voortzetting van een oude lijn? ,,Het hele leven van een Amerikaan wordt geleefd als een kansspel, een revolutionaire crisis, een gevecht'', schreef Alexis de Tocqueville anderhalve eeuw geleden in zijn beroemde Democratie in Amerika. Het lijkt onverminderd geldig na de ineenstorting van het grootste casino van de late twintigste eeuw.

Omdat dit artikel zaterdag in een deel van de oplage onvolledig was afgedrukt, drukken we het hier nogmaals af.