Vluchten voor de euro hoeft niet

De invoering van de euro maakt allerlei angsten los bij lezers. Liefst zoeken zij asiel in een warm land buiten de eurozone, met gratis warme broodjes en gebraden duiven. En als dat te lastig is, dan maar je geld naar een fiscale vrijhaven met bankgeheim. Of anders je euro's omzetten in dollars. Waarom? We kampen met de naweeën van de vermeende nieuwe economie en de internethype, de geen gezeik iedereen rijk jaren. Die tijd is voorbij en komt voorlopig niet meer terug. Toevallig valt het eind van die hausse samen met het begin van het eurotijdperk, maar het zijn verschillende ontwikkelingen. We leven hier in een (fiscaal) paradijs, ondanks al het geklaag erover. Dus vermogensvorming: nergens beter dan thuis, in Nederland. Een opsomming van vijf bekende bouwstenen.

De opbouw begint bij de AOW, een levenslang bodempensioen voor 65-plussers, gebaseerd op en gekoppeld aan het netto minimumloon. Dit recht bouw je met 2 procent per jaar op door vijftig jaar in Nederland te wonen. Eenvoudiger kan het niet. Wie jaren over de grens woont, verspeelt dus 2 procent per jaar, maar kan zich vrijwillig bijverzekeren. Een AOW'er hoeft hier niet te blijven wonen, maar kan zijn uitkering meenemen naar veel andere landen. Welke dat zijn, en andere wetenswaardigheden, staat op de informatieve internetsite van de Sociale Verzekeringsbank (www.svb.org). Over de AOW doen twee hardnekkige misverstanden de ronde: die verdwijnt op den duur en de premies die je nu betaalt zijn bestemd voor je uitkering na je 65ste. Het is onwaarschijnlijk dat deze basisvoorziening verdwijnt. Eerder zetten EU landen een vergelijkbare, betaalbare regeling op ter vervanging van hun dure overheidspensioenen, gebaseerd op iemands inkomen. De AOW is geen gewone verzekering. Wie premie afdraagt, betaalt voor de nu levende 65-plussers. Er bestaat dus geen direct verband tussen de nu afgedragen premie en de toekomstige uitkering. Een toekomstige AOW-trekker moet het dus hebben van de dan nog actieve werkers en de aanvullingen uit het AOW spaarfonds, bedoeld om de mogelijk nadelige effecten van de vergrijzing wat te verzachten.

Naast de AOW kennen veel werknemers en beroepsbeoefenaren een aanvullend, fiscaal vriendelijk levenslang ouderdomspensioen, met voorzieningen voor nabestaanden, ondergebracht in een solidaire, collectieve pensioenregeling. Veelal is de hoogte van deze pensioenen gekoppeld aan het prijspeil. Mooier kan het niet. Hoewel. Recent is gebleken dat de koppeling aan het prijspeil geen garantie is, hoewel de fondsdeelnemers dat wel denken. Uit reacties blijkt dat enkele fondsen dit jaar de aanspraken en lopende pensioenen niet verhogen, omdat de beleggingsresultaten over vorig jaar sterk tegenvallen. Oorzaak: de sterk gedaalde aandelenkoersen en wellicht een te groot deel van de pensioenreserve in aandelen. De hype van de afgelopen jaren. Verder blijkt de koppeling tussen een bedrijf en zijn pensioenfonds (voeder en hoeder) niet altijd gegarandeerd, althans in de VS. Twee grote bedrijven (Enron en Kmart) vallen daar zo goed als zeker om. Daardoor mist een pensioenregeling de financiële steun van het bedrijf en zijn werknemers. Het ondernemingspensioenfonds moet dan op eigen kracht verder en teren op beleggingsresultaten. Qua continuïteit kan je dus beter deelnemen in een fonds voor een hele bedrijfstak (voorbeelden: PGGM, ABP) dan in een fonds van één onderneming. Maar je kan als deelnemer niet zelf kiezen voor een fonds.

De derde bouwsteen betreft het beleggen in effecten en bijvoorbeeld tweede huizen. Nederland kent een ruim aanbod van beleggingsfondsen, aandelen, obligaties en opties. Bovendien bieden de effectenbemiddelaars tal van faciliteiten om de beurs zo dicht mogelijk bij de mensen te brengen. De waardegroei van beleggingen is vrij van vermogensbelasting en de rente, dividenden en huren zijn vrij van inkomstenbelasting. Daar staat wel de 1,2 procent heffing over de gemiddelde waarde in box 3 tegenover.

De vierde bouwsteen: het eigen huis. Deze belegging valt niet in box 3 en blijft daardoor buiten de 1,2 procent heffing. Wel ziet de fiscus het huis als een bron van inkomsten, het eigenwoningforfait, waarover de eigenaar in box 1 een beperkte, progressieve belasting betaalt. Maar de waardegroei blijft onbelast. De financieringsrente (veelal een hypotheek) mag men binnen bepaalde regels aftrekken van het belastbare inkomen.

Tot slot de vijfde, wat bescheiden, bouwsteen: de fiscaal vriendelijke spaarregelingen voor werknemers. De inleg voor de spaarloonregeling en de premie van de werkgever voor de premiespaarregeling zijn aan een maximum gebonden. De waarde van de voor 48 maanden geblokkeerde bedragen valt weliswaar in box 3, maar is tot 17.025 euro vrijgesteld van de 1,2 procent heffing.

Conclusie: vluchten voor de euro hoeft niet.