Veilig op een slangenberg

Correspondent Marjon van Royen leeft alleen in Rio en bericht eens in de twee weken over haar leven.

Anders dan in de rest van de wereld wonen in Rio de arme mensen op de berg. Ze hebben het mooiste uitzicht dat er bestaat. De rijken wonen beneden. Opgepakt in hun flats kijken ze voornamelijk naar elkaar. `Asfaltmensen' heten de rijken. In tegenstelling tot de sloppenwijkbewoners aan hun onverharde paden. In de hoge jungle om hen heen zit het vol wilde apen, tucans, en gekleurde vlinders.

Toch kijkt de asfalt-mens op de jungle-mens neer. Mijn asfaltkennissen snuiven als blijkt dat ook ik een junglemens ben. ,,Je bent gék! Een vrouw alleen tussen de favelas!'' Langskomen doen ze niet: ,,Veel te gevaarlijk.'' Hoewel ze daar in hun asfalt-appartementen bijna allemaal wel eens zijn beroofd.

Ik nog nooit. ,,Heb je pittbulls dan? Een hek onder hoogspanning? Privé–bewakers?'' Nee, nee, nee. Ik heb een `slangeninstituut'. Een goudkleurig bordje op de deur met zwarte letters: Internationaal Onderzoeksinstituut naar Slangen. En voor wie niet kan lezen de afbeelding van een slang. (Uit een boekje met Chinese sterrenbeelden gehaald.)

Het werkt fantastisch. De electriciteitsman durft de meter niet op te nemen. En als de telefoon kapot is schuiven ze een briefje onder de deur: ,,Reparatie onuitvoerbaar wegens risico-gebied.'' Als Brazilianen ergens bang voor zijn, dan zijn het slangen. Ik ben absoluut veilig. Mijn buren kweken pittbulls. Daar is al twee keer ingebroken. Hier nooit. Mijn werkster Teresa houdt de mythe vol. Thuis vertelt ze trots hoe ze vandaag weer rondliep met vier slangen om haar nek. En morgen is het paartijd: ,,Dán zijn ze woest!'' (Teresa, hoe dóén slangen het eigenlijk? We kijken elkaar vragend aan.)

Dan, op een dag is er écht één. Een rood-zwarte koraalslang op mijn trap. `Dodelijk', weet Teresa, en stuift gillend weg. Ik hef mijn pas aangeschafte machete. Maar ik durf niet. Uiteindelijk gooi ik alcohol over hem heen, en een lucifer erop. Zo gril ik mijn slang. En later nog één, en nog één. Gruwelijk. Laf. Als de eerste beste asfaltmens!

Een paar weken geleden ging de bel. Voor de deur stonden zes brandweermannen, met in hun handen een gigantische slang. Een boa constrictor, legden ze uit. Het beest had net een poedel gegeten. Die lag hij nu in de boom naast mijn huis te verteren. ,,U moet beter op uw slangen passen'', zeiden ze bestraffend, en wilden de boa in mijn armen leggen. ,,Wij ontvangen geen slangen'', heb ik nu onder mijn bordje gehangen. Ik wordt steeds Braziliaanser, steeds banger voor slangen.