Stenen die spreken

In de 17de en 18de eeuw had de voc langs de kust van India vele handelsvestigingen. Historica Marion Peters en fotograaf Ferry André de la Porte brachten het resterende Nederlandse stenen erfgoed op Coromandel in kaart.

OP 18 APRIL 1993 stapten historica Marion Peters en fotograaf Ferry André de la Porte, op reis door Zuid-India, in Madras op de bus naar Tirukkalukkunram. Bij dat dorpje rijst in een vlak landschap de Heilige Vogelberg omhoog en sinds mensenheugenis, zo vertelt de mythe, komen klokslag 12 uur vanuit het vijftienhonderd kilometer noordelijker gelegen Benares twee gieren aangevlogen om op de top van de berg uit handen van een Hindoe-priester een voedseloffer in ontvangst te nemen. Een wonder, ook al omdat de aaseters hun dagelijkse monstervlucht uitvoeren in het vooruitzicht van een vegetarisch maal van meel, rijst, suiker en boter.

``We zijn beiden dierenliefhebber en hadden de klim van vijfhonderd in de rots uitgehouwen traptreden, blootsvoets en in de brandende zon, er graag voor over'', zeggen Peters en André de la Porte in hun bovenwoning in hartje Amsterdam. ``Keurig op tijd kwamen de gieren aangevlogen, eerst als stipjes hoog in de lucht, daarna al cirkelend naar de bergtop dalend, om onder het toeziend oog van pelgrims en toeristen een snelle maaltijd te nuttigen en weer te vertrekken. Een indrukwekkend ritueel.''

Maar wat het bezoek aan de Vogelberg pas echt bijzonder maakte was het uit de vijfde eeuw stammende Shiva-tempeltje dat Peters en André de la Porte op weg naar beneden zagen. ``We keken na afloop van de plechtigheid nog wat op de bergtop rond en ontdekten toen een andere weg terug'', zegt André de la Porte. ``Het was de oude trap, een achterafpaadje dat bijna niemand kiest sinds er een comfortabelere trap is uitgehakt. Hij voert om de berg heen en komt dan weer op de oorspronkelijke weg uit. Halverwege zagen we rechts dat in de rots uitgehouwen Shiva-tempeltje. Er werd een 53 centimeter hoge lingga vereerd, ofwel het opgerichte mannelijk deel van de Hindoe-god. In dat tempeltje waren in de muren en in de pilaren vele namen uitgehakt, de meesten vergezeld van jaartallen. Het stond helemaal vol, zelfs de borst van het Shivabeeld was niet gespaard. Eerst dringt het niet tot je door, maar toen zag ik het: `Krijg nou wat, allemaal Nederlanders!' Een vreemde gewaarwording.''

De meeste namen, zo bleek bij nadere inspectie, dateerden uit de zeventiende eeuw. Kennelijk was de Shiva-tempel door Hollanders die voor de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) op Coromandel zaten zoals de oostkust van India in die jaren werd genoemd gebruikt als een soort gastenboek. André de la Porte: ``Graffiti à la `Kilroy was here', alleen een paar eeuwen ouder en in steen.''

Terug in Nederland deed Peters, die een proefschrift voorbereidt over de geleerde activiteiten van de zeventiende-eeuwse Amsterdamse burgemeester en VOC-bewindhebber Nicolaas Witsen, een belangrijke vondst. Op de foto's die door André de la Porte in het Shiva-tempeltje waren gemaakt prijkte de naam van Daniel Havart. Havart was van 1672 tot 1685 op Coromandel geweest en had in 1693 als enige in de tweehonderd jaar dat de Compagnie er handelshuizen had de activiteiten van de VOC beschreven: Op- en Ondergang van Cormandel. Peters: ``Dat boek was een goudmijn. Zo vertelt Havart hoe hij op 3 januari 1681 met tien andere Hollanders na het sussen van een ruzie tussen twee opperhoofden in de handelspost Tegenapatnam een bezoek aan de Vogelberg bracht en het ritueel met de gieren aanschouwde. Ook geeft hij van de Hollanders die voor de VOC hoge posities op Coromandel bekleedden levensbeschrijvingen, meestal vergezeld van grafdichtjes. Later hebben we op grafstenen in India er een stuk of zeven teruggevonden.''

papierwrijfsels

Al snel rees het plan het nog aanwezige Nederlandse erfgoed in India op te sporen en te fotograferen. Peters: ``Ik ben erg bezig met de zeventiende eeuw, ik ben in Djakarta geboren, het Aziatische boeit mij zeer. Die namen en data in dat Shiva-tempeltje op de Vogelberg waren voor mij dus gefundenes fressen. Niemand was ons in het vastleggen van dit VOC-verleden in India voorgegaan. Weliswaar zijn rond het jaar 1900 registraties van grafschriften gemaakt en de Leidse universiteitsbibliotheek bezit twee dozen met papierwrijfsels van inscripties, maar met dat materiaal is nooit iets gedaan. Er is gewoon geen aandacht voor. En dat terwijl India de fraaiste en indrukwekkendste grafmonumenten van Nederlanders in Azië heeft.''

Na vier Indiareizen en een berg archiefwerk heeft het speuren en fotograferen van Peters en André de la Porte geresulteerd in een kloek boek: In steen geschreven: Leven en sterven van VOC-dienaren op de Kust van Coromandel in India. Op basis van een groot aantal eigentijdse bronnen, zoals de Generale Missiven en de Dagregisters van de VOC, heeft Peters het reilen en zeilen in de VOC-forten en -factorijen aan de Indiase oostkust gedetailleerd beschreven. Bovendien biedt het boek een beschrijving van de begraafplaatsen, inclusief transcripties van de grafteksten, en biografische gegevens van de betrokkenen. Samen met de vele honderden foto's van André de la Porte een selectie is in het kader van het VOC-jaar tot 7 april te zien in het Rijksmuseum vormen ze een belangrijke bron voor wie zich in leven en dood van de hogere VOC-dienaar op Coromandel wil verdiepen.

Hoger personeel dat voor de VOC naar Coromandel trok werd veelal gedreven door zucht naar fortuin. In 1605, drie jaar na de oprichting van de Compagnie, was er al een handelspost (factorij) in Masulipatnam en er zouden er in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw op de Indiase oostkust tientallen volgen. Met de inlandse vorsten werden contracten gesloten waarbij katoenen stoffen, edelstenen, indigo, hennep, ijzererts, rijst en steen werden geruild voor met name specerijen uit de Molukken. Het VOC-hoofdkantoor zetelde tot 1690 in Paleacatta, daarna tot 1781 in Nagapatnam. Juni dat jaar werden de Hollanders in Coromandel verrast door de Vierde Engelse Oorlog die in Europa al een half jaar gaande was. Om eens en voor altijd van de Hollanders af te zijn bliezen de Engelsen hun factorijen en forten op een praktijk die de Hollanders eerder op de Portugezen hadden toegepast. Alleen begraafplaatsen getuigen nog van de Hollandse aanwezigheid en die zijn in rap tempo bezig te verdwijnen.

Mensen met idealen zag je weinig in Coromandel, klaagde predikant Philippus Baldaeus, die in 1660 een jaar in Nagapatman de situatie met eigen ogen had kunnen waarnemen. Fortuinzoekers en bankroetiers daarentegen waren er volop. ``Iedereen was bezig de boel te lichten'', zegt Peters. ``Het was likken naar boven en trappen naar beneden. De VOC bood zijn werknemers knevelcontracten waar je nauwelijks van kon leven en nevenhandeltjes, smokkel en afpersing van inheemsen moesten alsnog rijkdom brengen. Batavia was ver en er viel dus makkelijk te rommelen, op werkelijk alle mogelijke manieren werd de Compagnie genaaid. Soms werd iemand verlinkt, die zat dan kennelijk een ander in de weg. Door mensen om de vier jaar weg te promoveren naar een post elders op Coromandel hoopte Batavia de onderlinge samenwerking bij de fraude en `morshandel' te frustreren.''

In de hoogtijdagen, halverwege de zeventiende eeuw, zat er zo'n 500 man aan VOC-personeel op Coromandel, verdeeld over zo'n twintig posten. De handel was seizoengebonden: door de moessons en het ontbreken van natuurlijke havens kwamen er van half oktober tot januari geen schepen. Om de verveling te verdrijven werd er gejaagd en veel tijd ging heen met eten, drinken, kaarten en `boeleren' met inheemse vrouwen. De gezondheidszorg was bar en boos, ook voor het hogere personeel. Cholera werd bestreden door een gloeiende staaf tegen de voetzool te drukken. Vrouwen hadden het niet makkelijk. Peters: ``Zodra ze het huwelijk ingingen was het alleen nog maar baren. Tot het mis ging.''

Vanaf 1680 ging het bergafwaarts met de handel op Coromandel toen de VOC straffe bezuinigingen doorvoerde, er binnenlandse oorlogen uitbraken en epidemieën een hoge tol eisten. Het land kwam in de greep van de chaos, veel factorijen ontkwamen niet aan plundering en het zuidelijk deel van de kuststreek raakte vrijwel ontvolkt. Daar kwam bij dat de Engelsen de VOC steeds meer dwars zaten. In 1818 kon J.A. van Braam na een inspectietocht slechts melden dat de Hollandse bezittingen in India feitelijk waardeloos waren. In 1824 ruilde de regering de rechten van de VOC-kantoren in tegen Benkoelen, een gebied in Sumatra dat de Engelsen bezet hielden. Een jaar later volgde de officiële overdracht en was de Nederlandse aanwezigheid in India voorbij.

De eerste Hollander die zijn naam op de Vogelberg plaatste op 13 augustus 1662 deed dat niet in het Shiva-tempeltje maar in de rotswand boven bij de voedselbereidingsplaats. Het was opperhoofd Lambert Hemsinck, die de factorij in het nabijgelegen Sadras leidde. Ook boven staan de namen van Cornelis Jansz. Speelman (1685), gouverneur van Coromandel (later gouverneur-generaal van Batavia), en van commissaris J.A. van Braam. Peters: ``Van Braam was in 1818 de laatste. Overigens kwam Speelman pas goed tevoorschijn nadat Ferry en ik met water en een borstel witte kalk van de rots hadden weggeschrobd.''

De eersten die zich aan het Shiva-tempeltje vergrepen waren de drie zoons van gouverneur Laurens Pit. In maart 1663 beitelden Jan, Laurens en Marten hun namen botweg in de pilaren van het heiligdom. Daarmee was zoals elke graffitikenner weet het hek van de dam. Peters: ``Zo'n honderdveertig namen prijken er op de rotswanden, vooral op de pilaren en de zijbeuken is het feest. Honderdtien kon ik er lezen en van ruim zestig hebben we de identiteit weten te achterhalen. Onder hen de gelieven Zaccheus en Wilhelmina, voor eeuwig verbonden door een hartje, en de familie Hemsinck, waarvan de vader ook al bovenop de berg had getekend.''

Later vonden Peters en André de la Porte op het begraafplaatsje van Sadras het graf van Pieter Hemsinck, in 1682 op zestienjarige leeftijd overleden. Zijn graftafel, die doet denken aan een Indiaas rustbed, is boven de zerk van zijn moeder geplaatst, die twaalf jaar eerder op 25-jarige leeftijd na de geboorte van een doodgeboren dochtertje overleed, zoals de grafsteen zegt. Beide zerken zijn versierd met een familiewapen na de Vrede van Munster in 1648 was voor zo'n wapen geen toestemming van de koning meer nodig en een grafdicht. De tekst op die van Pieter begint met een bars `Neemt Ghij Acht?' richting toeschouwer.

hels karwei

Het speuren naar de VOC-graven op Coromandel bleek een hels karwei. André de la Porte: ``Niemand die ons kon helpen, het was buitengewoon lastig die plaatsen te vinden. De mensen begrijpen je niet, hindoes verbranden hun lijken. Vaak blijken begraafplaatsen te zijn verdwenen. Van één wisten we dat die op een bepaalde plaats gelegen moest hebben, wat de lokale Indiërs ook toegaven. Het terrein bleek getransformeerd tot speelplaats, ze hadden er een meter zand overheen gedonderd. In Palikol was vroeger een mooie begraafplaats met prachtige wapens op de zerken en veel grafdichtjes van Daniel Havart. Wij troffen een omgespit veldje aan dat de sporen droeg van een vuilnisbelt. Er was geen steen meer over.''

De grafstenen die nu nog op Coromandel liggen zijn de zwaarste, de rest is door de plaatselijke bevolking weggesleept. Daarmee geven ze een vertekend beeld: alleen rijke VOC-dienaren konden zich een dure steen permitteren. Kleinere zerken zijn in gebruik om curry's op fijn te malen, als vloertje in een bamboehut of de was wordt er op geschrobd. In Paleacatta, waar tot 1690 het VOC-hoofdkantoor zat, wilden de rijken zich onderscheiden met een eigen begraafplaats. Gesticht in 1656, is het de enige die op dit moment van de Indiase overheid bescherming geniet. Er staan enorme praalgraven keeping up with the Johnsons gold ook voor de doden. Peters: ``Op dat binnenkerkhof, dat nog geheel in zijn oude luister verkeert, bevinden zich grafzerken, tombes, koepelgraven en piramides. Het dochtertje van Laurens Pit ligt er, Elysabet werd amper twee jaar maar ligt onder een enorme steen met stamwapen. Soms is de belettering zo scherp dat het lijkt of ze een paar weken geleden is aangebracht. Het oudere buitenkerkhof is er een stuk slechter aan toe. Tot voor kort lag het er vergeten bij, overwoekerd door doornstruiken en in gebruik als publiek toilet. Toen de struiken op initiatief van een Nederlandse weldoener verwijderd werden, bleken er nog zestien grafstenen te liggen. Inmiddels speelt de lokale jeugd er cricket.''

André de la Porte torste tijdens de speurtochten langs Coromandel steeds drie Hasselbladcamera's met zich mee. Alles is uit de hand gefotografeerd op 66 centimeter. ``Het was zwaar, maar ik kon het hebben. De gunstigste maanden zijn december, januari en februari, op het moment dat de moessons losbarsten kun je niks meer. Strijklicht is het mooiste als je graven fotografeert maar het probleem was dat je flink moet reizen en in de directe omgeving van zo'n begraafplaats kan je niet overnachten. Je wilt profiteren van de laagstaande zon, maar tegelijk wil je niet in het donker terug met dat levensgevaarlijke verkeer in India.''

lang soebatten

Terwijl Ferry fotografeerde, schrobde Marion stenen schoon. Strak van boven fotograferen was door het formaat van de grafzerken vaak onmogelijk. Ze hadden veel bekijks. Peters: ``Altijd werd je achtervolgd door jongens, dikwijls kinderen. Vaak probeerden mensen het fotograferen te verhinderen, niet omdat ze geld wilden maar omdat ze bang waren dat de autoriteiten het niet goed zouden vinden. Ga maar een papier halen in Madras, zeiden ze. In een dorp hadden ze een bordje dat de Archeological Survey of India bij een begraafplaats had geplaatst weggehaald en met puin de graven verdonkeremaand om bezit te krijgen van de grond. Uit bronnenonderzoek wisten we dat er in ieder geval een graf uit 1672 moest liggen, met daarop een wapen van een ruiter te paard. Na lang soebatten mochten we graven zodra ze om waren deed iedereen mee en kwam twintig centimeter diep die steen inderdaad tevoorschijn. Schoonmaken, fotograferen en hups, weer aarde erover.''

Iedere dode op Coromandel heeft zijn eigen verhaal. Peters: ``Vaak stemt dat weinig vrolijk. In Paleacatta liggen een 16-jarig meisje en haar 17-jarige zusje naast elkaar. De steen heeft een kettingrijm: `Sara was maar stof en as...'. In al zijn knulligheid doet dat je wat. En Adriane Appels, de vrouw van de latere gouverneur-generaal Jacob Mossel, is op haar 28ste na acht kinderen gebaard te hebben van verdriet gestorven. We hebben haar grafrede gevonden en die vertelt dat eerst haar zesjarig dochtertje aan de pokken stierf, toen overleden haar ouders, en twee zoontjes, op weg naar Nederland ter completering van hun opvoeding, kwamen om toen hun schip verging. De lijkstaatsie was als van een vorstin.''

André de la Porte zou het graag zien dat zijn foto's de wetenschap ook in de toekomst tot nut kunnen zijn. ``Het is een enorm archief. Het Instituut Kern in Leiden, waar ze in Zuid-Azië zijn gespecialiseerd en ook fotocollecties beheren, toont interesse en ik hoop van harte dat ze een fonds vinden om ze aan te schaffen. Ook het Rijksarchief zou kunnen. Als het maar een plek is waar onderzoekers bij kunnen. Ik zou het erg vinden als de Indiase erfgoedfoto's in een la belanden. Ik hoef er niet aan te verdienen, maar die collectie gratis van de hand doen is onzinnig gezien de smak geld die het project ons gekost heeft we hebben alles uit eigen zak betaald.''

Van de gieren op de Vogelberg bezit André de la Porte geen opnamen. ``Spijtig genoeg heb ik die twee vogels bij ons bezoek in 1993 niet gefotografeerd. Had ik geweten dat we een half uur later dat Shiva-tempeltje zouden vinden, dan was dat niet gebeurd. We zijn voor ons onderzoek diverse keren op de Vogelberg teruggeweest, maar de gieren hebben zich nooit meer laten zien. Een pelgrim zei ons dat ze waarschijnlijk dood waren.''

Marion Peters en Ferry André de la Porte. `In steen geschreven: Leven en sterven van VOC-dienaren op de Kust van Coromandel in India'. Geïll., 280 blz. Uitgeverij Bas Lubberhuizen. Prijs: 37,50 euro. ISBN 90 76314 95 0.