Poldermodel is medicijn tegen verstarde politiek

De corporatistische elementen moeten verdwijnen uit het polderoverleg, maar het blijft een effectief instrument wanneer de politiek onder de maat presteert, meent Jacques Schraven.

Nationaal bestaat een zeker ongemak om het poldermodel op een evenwichtige wijze te beoordelen. Het hosanna van nog niet zo lang geleden kwam over ons heen uit het buitenland. Een tikje overdreven allicht, maar waar sloeg het op? Mijns inziens ging dat over de betekenis van het model als instrument voor hervormingen in de laatste twintig jaar. Met de medewerking van de vakbeweging is het, niet zonder slag of stoot overigens, gelukt maatregelen door te voeren, waar men in andere continentaal Europese landen vaak nog aan moet beginnen. Daar waar de nationale politiek aan zichzelf overgelaten onmachtig is échte hervormingen door te voeren, werd dat door partijen die met een langere termijn voor ogen win-win situaties ontdekten, niettemin mogelijk gemaakt.

Dat onze nationale politiek daar, buiten crisissituaties in het begin van de jaren tachtig, zo onmachtig toe is, heeft veel te maken met het coalitiekarakter van kabinetten en met partijen, die moeizaam over de eigen profileringsgrenzen (vroeger: ideologische grenzen) heen kunnen springen. De politieke verstarring die daaruit voortvloeit kán alleen worden overbrugd indien maatschappelijke partijen, die dichtbij de realiteit staan, gezamenlijk stellen dat het `zo niet langer kan'.

Het is ontegenzeggelijk zo dat we nu weer aan de vooravond staan van een noodzakelijke reeks structurele hervormingen op een veelheid aan terreinen. Wederom blijkt dat de politiek wel het primaat wil, maar zijn verantwoordelijkheid niet kan waarmaken. En natuurlijk daarbij de vraag aan de orde of het poldermodel als facilitator van politieke besluitvorming zijn rol kan blijven vervullen.

De afgelopen jaren is voor een groot aantal terreinen door de sociale partners nieuwe wegen aangegeven: de gezondheidszorg, corporate governance, de infrastructuur, ruimtelijke ordening, maatschappelijk verantwoord ondernemen en – er ligt een overeenstemming op hoofdlijnen – de WAO. Op al die terreinen is de politieke dynamiek in geen velden of wegen te bekennen. Voor ondernemend Nederland telt het resultaat. Onze hervormingsagenda wijkt niet af van die van de secretaris-generaal van het ministerie van Economische Zaken. Wanneer op het politieke niveau niet rechtstreeks voortgang kan worden geboekt zullen wij met andere realistische partijen in de samenleving die voortgang moeten blijven bevorderen. Een andere weg is er niet.

Of dit pad nog lang kan worden afgelegd in een individualiserende en internationaliserende omgeving is een sociologisch interessante kwestie. Hoe ontwikkelt de vakbeweging zich? Zijn er representatieve milieupartijen met voldoende realisme om zaken mee te doen? De structurele maatregelen die genomen moeten worden kunnen niet wachten op een nationaal debat over de uitwerking van maatschappelijke trends.

`Het poldermodel, kruisigt hem', komt vooral voort uit de beelden die van het model bestaan, zoals dat in zijn corporatistische naoorlogse tradities tot aan de jaren zeventig heeft gefunctioneerd. Op het sociaal-economisch terrein is daar begin jaren tachtig een forse kentering in gekomen. Het Akkoord van Wassenaar heeft een institutionele keer ten goede gebracht. Het huidige Voor- en Najaarsoverleg heeft de functie gekregen van gezamenlijke analyse en informatie-uitwisseling over de economische situatie. Op grond daarvan moet elke partij afzonderlijk zijn zegenende werk doen: ondernemers ondernemen, de regering het investeringsklimaat verbeteren en de vakbeweging resultaatafhankelijke loonakkoorden afsluiten.

In de publieke sectoren heeft het poldermodel in zijn oude vorm veel te lang voortgewoekerd. Hier manifesteren zich nog de effecten van oude (corporatistische) structuren, waarop sociaal-economische terrein allang – op een enkel atavisme na – afscheid van genomen is. Het is niet voor niets dat het na acht jaar paars beleid op het gebied van marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteit (MDW) niet gelukt is in de beschermde publieke sectoren goed functionerende nieuwe ordeningen tussen publieke en private belangen tot stand te brengen. Of het nu gaat om de gezondheidszorg, het onderwijs, de infrastructuur, het openbaar vervoer, de veiligheidssector: kwalitatief en kwantitatief wordt onder de maat gepresteerd.

Inmiddels snakken vele uitvoerders in deze sectoren naar autonomie om hun professionele verantwoordelijkheid wél waar te kunnen maken. De condities daarvoor worden niet geschapen door de politiek die nog immer gewend is die uitvoerder van bovenaf te sturen. Van deze oude `poldertraditie' kan moeilijk afscheid worden genomen. Machteloos zwalkend Haags beleid wordt losgelaten op noodzakelijke publieke dienstverlening. MDW-analyses om orde op zaken te stellen verzanden bij de politieke implementatie door de specialisten uit de Kamer. Of zij werkelijk deskundiger zijn dan de mensen op de vloer in de publieke sectoren valt zeer te betwijfelen.

Het poldermodel als synoniem voor sturing van bovenaf door politici, die de maatschappelijke dynamiek in de desbetreffende sectoren niet meer kunnen bijbenen, heeft écht afgedaan. De treurige prestaties in de publieke sector zijn daarvan het schrijnende bewijs. Als we het al over een teloorgang van hét poldermodel hebben, dan moet het daarom gaan.

Het valt niet uit te sluiten dat het maatschappelijk initiatief nodig is, al was het maar for the time being, om tot de noodzakelijke structurele doorbraken te komen. De politieke bovenbouw beweegt nu eenmaal niet zolang de maatschappelijke onderbouw geen bruggen slaat.

Mr. J. H. Schraven is voorzitter van de ondernemingsorganisatie VNO-NCW.

www.nrc.nl/opinie: discussie en eerdere artikelen