Militairen hebben veel geleerd van Afghanistan

Afghanistan, met zijn onherbergzame landschap en guerrilla-achtige leger, werd voor de Amerikanen geen nieuw `Vietnam'. Welke lessen trekken de militaire analisten uit het onverwacht snelle succes van de militaire operatie?

Het is volstrekt ontoegankelijk terrein, de Afghanen zijn geboren guerrillastrijders en ze hebben een xenofobe en tribale volksaard. Allemaal redenen waarom de bezetting van Afghanistan het `Vietnam' van de Sovjet-Unie werd. Tot niet geringe verbazing van veel sceptici versloegen de Amerikaanse strijdkrachten de Talibaanstrijders in een oogwenk. Het `Afghanistan' van de VS werd geen `Vietnam.'

Volgens John Pike, inlichtingendeskundige van de Amerikaanse denktank Global Security, is er een cruciaal verschil tussen het leger van de VS en dat van de Russen van toen.

,,Tijdens de Koude Oorlog liepen de VS technisch gezien al tien jaar op de Russen voor'', aldus Pike. ,,De technologische ontwikkelingen binnen Rusland zijn sindsdien gestagneerd, dus gaapt er nu een kloof van meer dan twintig jaar.'' Alles draait volgens hem tegenwoordig om intelligence, ,,het accuraat vinden van doelen en het doorseinen van hun locatie via snelle digitale communicatiesystemen.'' Precisiebommen, bijvoorbeeld de JDAM-projectielen die via het satellietnavigatiesysteem GPS worden geleid, doen de rest.

Niet dat de sovjet-strijdkrachten geen geleide bommen hadden. Maar volgens een NAVO-luchtmachtofficier legden ze de beslissingsbevoegdheid heel hoog binnen de commandoketen. ,,Hun planning verschilde niet zoveel van die van de Amerikanen tijdens `Vietnam'. Daar werden de doelen voor de bommenwerpers in Noord-Vietnam tijdens het middagmaal van de president op het Witte Huis uitgezocht. Over-lunch-targeting heette dat.'' Tijdens de Golfoorlog duurde het opstellen van de vluchtschema's voor de gevechtsvliegtuigen, de Air Tasking Order, ATO, nog drie dagen.

Bewegende doelen bleken in die tijd notoir moeilijk te vinden te zijn, laat staan te bestoken. Ondanks nauwkeurige radarapparatuur aan boord van vliegtuigen en kunstmanen met warmtegevoelige sensoren bleven bijvoorbeeld de beruchte Iraakse mobiele Scud-batterijen onvindbaar.

Tijdens operatie Allied Force, het NAVO-bombardementsoffensief tegen Joegoslavië in 1999, gold iets dergelijks voor de beweeglijke Servische SAM-luchtdoelbatterijen en hun tanks. De NAVO trof na de Servische terugtocht uit Kosovo maar dertien vernielde tanks aan.

Een doorslaggevende rol bij het inkorten van de commandoketen tussen sensors en shooters speelden volgens de analisten onder andere de met sensoren volgehangen robotvliegtuigen. De robots die de VS boven Vietnam lieten vliegen, hadden weinig waarde voor het aanwijzen van beweeglijke doelen. Rusland produceerde pas in de jaren negentig een werkend robotvliegtuig. En ook de NAVO-robots haperden in Joegoslavië nog veelvuldig.

Maar intussen geeft zelfs president Bush al hoog op over hun optreden boven Afghanistan: ,,We zijn een tijdperk binnengegaan waarin onbemande toestellen van groot belang zijn: in de ruimte, op het land, in de lucht en op zee.'' Afghanistan, zei Bush, heeft ,,ons meer geleerd dan tien jaar symposia van denktanks.''

De praktijk van `Afghanistan' wees ook een andere force-multiplier, een `machtvermenigvuldiger', aan: de Amerikaanse – en in mindere mate de Britse – speciale eenheden. De schijnbare tegenwerking van het ontoegankelijke terrein dat vier keer zo groot is als Zuid-Vietnam, bleek een zegen voor de ontplooiing van commando-eenheden. Die konden zich met terreinvoertuigen, te paard of te voet snel verplaatsen om de ingegraven of al vluchtende Talibaan en Al-Qaeda-strijders met behulp van richtapparatuur aan te wijzen aan de rondcirkelende gevechtsvliegtuigen. Het ruige landschap werkte in het voordeel van de aanvallers. Het waren juist de speciale eenheden die de guerrilla voerden waarin de Afghanen een reputatie hadden te verliezen.

Tijdens Vietnam, de Russische bezetting van Afghanistan en de Golfoorlog dienden langeafstandsbommenwerpers voor het leggen van tapijtbombardementen. Zelfs bij `Allied Force' gold de B-52 eigenlijk alleen als een instrument voor de psychologische oorlogvoering. Maar voor de commando-eenheden op de grond begaven de logge cirkelende toestellen zich in de rol van de artillerie bij vroegere conflicten: op afroep beschikbaar, en bijna altijd raak. Het Pentagon wil intussen de productie van de nauwkeurige JDAM-bommen verdrievoudigen.

Of de `Afghaanse' militaire aanpak ook resultaten afwerpt bij het vervolg van de `Oorlog tegen het Terrorisme' tegen andere schuilplaatsen van Al-Qaeda of hun sponsors, is nog de vraag. Een eventuele campagne tegen Irak kan niet zomaar naar die in `Afghanistan' gemodelleerd worden. Het Iraakse leger is zeker vijftienmaal zo groot als dat van de Talibaan. Bovendien ontbreekt de internationale steun: zelfs de Britten voelen er weinig voor.

En de Filippijnen, waar zo'n 700 man Amerikaanse speciale eenheden met hulp van het Filippijnse regeringsleger de terroristische organisatie Abu Sayyaf willen uitschakelen, vormen een nog Vietnam-achtiger land dan Afghanistan.

Somalië dan? Wil Amerika zich een tweede keer aan dezelfde steen stoten, nadat acties van Amerikaanse speciale eenheden in oktober 1993 rampzalig eindigden? ,,Wij hebben ze toen nog geholpen om te ontkomen.'' Somalië is volgens een Franse generaal die de regio goed kent een regelrecht ,,wespennest.'' Maar dat werd ook van Afghanistan gezegd.