Maar een mening

Vorige week reageerde de Haagse wethouder van onderwijs op mijn column van veertien dagen geleden over hoofddoekjes. In die column bekritiseerde ik de wijze waarop de wethouder indertijd zijn besluit motiveerde om een verbod op het dragen van hoofddoekjes op een van zijn scholen te overrulen. Voor een goed begrip moet ik u dan ook meenemen naar dat allerprilste begin van de discussie.

Op een van de openbare basisscholen in Den Haag waren hoofddoekjes al jaar en dag verboden. Dat ging allemaal goed tot de groep ouders die die doekjes wilden of er niets tegen hadden, in de meerderheid kwamen. De wethouder vond dat de school zijn verbod diende in te trekken en motiveerde dat toen tegen de Volkskrant als volgt: `Het al dan niet toestaan van het dragen van hoofddoekjes moet je overlaten aan de school en niet aan het bestuur. Als een meerderheid van de ouders vindt dat een hoofddoekje in de klas mag, dan moet je dat accepteren.'

In zijn ingezonden brief in deze krant vertelt het bestuur in de persoon van de wethouder een ander verhaal. Hij motiveert daarin zijn ingrijpen met een uitgebreide lofzang op al het fraais dat het openbaar onderwijs beoogt te bieden. Dat geeft, aldus de wethouder, ruimte aan alle opvattingen. Tegenover het recht om uiting te geven aan de eigen religie, staat de plicht tot ontmoeting met andere religies en levensbeschouwingen.

Tot zover de Haagse wethouder die meent dat bij dit alles ook het recht hoort de uiterlijkheden van die godsdienst te dragen zoals bijvoorbeeld hoofddoekjes. Wat ik nou niet begrijp is dat die principes waar de wethouder zo hoog van opgeeft, plotseling niet meer gelden zodra de meerderheid van de ouders van een openbare school daar anders over denkt. Want , zo zei hij eerder, besluiten daarover liggen bij de school die zich dient te conformeren aan de meerderheid van de ouders.

Verder reageert de wethouder jammer genoeg niet op mijn vraag, waarom een hoofddoekje wel, maar een burqa niet door zijn wethouderlijke beugel kan. Maar nog veel belangrijker is natuurlijk de vraag die sommigen mij stellen, namelijk waar ik me in hemelsnaam druk over maak. Iedereen moet toch zelf weten of ze zo'n ding om doet. Daar zit je toch niemand mee in de weg.

Nu vind ik ook dat iedereen dat zelf moet weten, maar daar gaat het hier niet om. Het gaat om kinderen die dat doen niet omdat zij dat zelf willen, maar omdat ze daartoe door hun ouders worden gedwongen. Dat ik me er wel druk om maak, komt doordat ik meen dat wat hier gepresenteerd wordt als tolerant, als respect voor andere cultuur, getuigt van onverschilligheid. Binnen de kringen van moslims is die hoofddoek namelijk wel degelijk omstreden, en wordt daar beschouwd als instrument van fundamentalistische of rechtzinnige ouders om hun dochters weg te houden van de door hen verfoeilijkte westerse cultuur. Het maakt deel uit van het instrumentarium om ze opgesloten te houden binnen hun eigen cultuur. Om dus het tegendeel te bewerkstelligen van waar de wethouder de lof van tuit.

Onze liberale houding om aan andere culturen de ruimte geven is er, in geval van het tolereren van hoofddoekjes bij kinderen, de oorzaak van dat veel allochtone meisjes weg worden gehouden van juist dat gedachtegoed dat aan deze tolerante houding ten grondslag ligt. Het bagatelliseren van het belang van hoofddoekje getuigt niet van openstaan voor andere culturen, maar van het tegendeel daarvan, van de hautaine houding: waar maken zij zich in hemelsnaam druk om. Maar, ik geef toe, dit is ook maar een mening.

prick@nrc.nl