Ik kan... DVD beluisteren

Het ziet ernaar uit dat de elektronica-industrie eindelijk een product heeft bedacht dat ook verkóópt: de dvd-speler. Het is eigenlijk een cd-speler, maar dan een waarin schijfjes kunnen waarop niet alleen geluid, maar ook beeld staat. Je stopt er een schijfje in met een film (gekocht of gehuurd) en het scherm levert een beeldkwaliteit waaraan geen videorecorder kan tippen. Maar dat is niet alles. Wie een dvd-speler koopt ontdekt vroeg of laat dat hij niet zomaar een kastje in huis heeft gehaald, maar een Trojaans paard, dat niet rust voordat hij de audiovisuele installatie geheel heeft hervormd en dat de poort openzet voor tal van nieuwe aankopen.

Het begint onschuldig. Je sluit een dvd-speler aan op de televisie met een zogeheten scart-kabel, net als bij een videorecorder. Schijfje erin en kijken maar.

Op een dag bedenk je dat de stem van Keanu Reeves en de mitrailleurschoten aan het eind beter tot hun recht komen als ze niet door de wrakke luidsprekertjes van de tv, maar via de kloeke boxen van de hifi-installatie ten gehore worden gebracht. Ook dat kan gemakkelijk. Kwestie van een snoer aansluiten met van die enkelpolige stekkers (cinch-pluggen). De ene kant in de audioversterker, de andere in de dvd-speler. De gelukkige dvd-bezitter ontdekt nu dat gewone cd's ook goed via de dvd-speler ten gehore kunnen worden gebracht. Exit dus die oude cd-speler.

Tot dusverre was het allemaal overzichtelijk. Maar dan valt er opeens een Engels woord: surround. Dat woord verwijst naar nóg een moderne mogelijkheid van dvd's: dat je het geluid van alle kanten kunt laten komen. Op dvd's bevinden zich namelijk wel vijf geluidskanalen. De bezitter van een solide hifi-installatie komt nu in een gewetensconflict. Zijn hoogwaardige stereoversterker is niet geschikt voor surround, want die kan maar twee kanalen aan en mist de decoder die het geluidssignaal in zessen kan delen. Twee mogelijkheden staan nu voor hem open: hij kan een apparaat kopen waarin een decoder en een driekanaalsversterker zitten, zodat samen met de stereoversterker toch een vijfkanaalsinstallatie ontstaat. Deze apparaten bestaan. Maar veel keus is er niet (eigenlijk maakt alleen Yamaha een enigszins betaalbaar apparaat – ongeveer 450 euro) en overzichtelijk wordt het stereomeubel er ook niet van. Veel huiskamerluisteraars capituleren in dit stadium en schaffen knarsetandend een zogeheten AV-receiver aan: een apparaat waarin zich onder meer een surround-decoder en een vijfkanaalsversterker bevindt. De stereoversterker blijft nog even staan, maar na een tijdje verhuist die naar de donkere kast waar de oude cd-speler al stof staat te verzamelen. Al gauw krijgen die gezelschap van de tuner (radio-ontvanger), want, zo ontdekt de AV-receiverbezitter, in zo'n ding zit al een tuner.

Maar vijfkanaalsgeluid is alleen maar vijfkanaals als er ook vijf luidsprekers in de huiskamer staan. Bij de audioboer zijn surround-setjes met vijf luidsprekers te krijgen. Meestal worden ze gecompleteerd met een speciale luidspreker met ingebouwde versterker voor ultra-lage tonen, een zogeheten subwoofer. Dit om de ontploffende munitiedepots die in de moderne cinema zo'n belangrijke rol spelen niet alleen te horen, maar ook te voelen.

De nieuwbakken AV-bezitter staat nu op het punt zijn duurgekochte stereoboxen aan zijn neefje mee te geven, maar eindelijk is er goed nieuws: dat hoeft niet. Hij kan ze ook laten staan en drie extra luidsprekers kopen. Bij het draaien van een gewone cd kan nu gekozen worden tussen het oorspronkelijke stereogeluid, of stereo plus nep-surround. Je moet sterk in je schoenen staan om de surroundverleiding te trotseren. Daarvoor heeft het allemaal toch nét iets te veel geld gekost.