HET STUDIEHUIS ONDER DE LOEP

Allochtone meisjes voelen zich thuis in het studiehuis. Zelfstandig leren gaat ze beter af dan hun autochtone klasgenoten, blijkt uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam.

Een groot deel van de Tweede Fase gaat op de schop. Maar het studiehuis als pedagogisch-didactisch concept, waarin leerlingen in de bovenbouw van havo en vwo zelfstandig werken, staat nog overeind. Nog wel. De onderwijsinspectie is niet erg te spreken over de manier van lesgeven in het studiehuis. De inspectie spreekt van een `didactische verschraling': docenten beperken zich tot een `eenzijdig begeleidende rol' en overstelpen hun leerlingen met opdrachten.

Een kolfje naar de hand van de tegenstanders van het eerste uur. Daartoe behoren ook organisaties voor de belangenbehartiging van allochtonen. Ze beweren dat het studiehuis een nieuwe barrière is voor veel allochtone leerlingen. De rol van docent als coach-op-afstand zou niet passen bij kinderen die thuis gewend zijn van pa en ma te horen wat er moet gebeuren.

Niets is minder waar, blijkt nu uit het onderzoek `Project zelfstandig leren van autochtone en allochtone leerlingen in het Studiehuis' van het Instituut voor de lerarenopleiding van de Universiteit van Amsterdam. Medewerkers Sarah Blom en Sabine Severiens ondervroegen 650 havo-4 en vwo-4 leerlingen afkomstig van drie zwarte scholen, twee witte scholen en drie gemengde scholen.

Zowel bij de autochtone leerlingen als bij de allochtone leerlingen doen de meisjes het beter wat zelfstandig leren betreft. Maar allochtone meisjes steken ver boven de anderen uit. Ze zijn goed in het plannen van de leerstof, ze hebben geen moeite met het leggen van verbanden tussen onderwerpen, ze zijn kritisch, ze organiseren de leerstof zo dat ze die beter begrijpen en ze weten ook heel goed wanneer ze om hulp moeten vragen. ``Ze zetten de zelfstandige leerstrategieën die bij het studiehuis horen veelvuldig in'', vat Blom samen. Overigens hebben de onderzoekers geen verschil gevonden tussen havo en vwo. De havist is niet minder zelfstandig dan de vwo'er.

Blom en Severiens hebben de leerlingen een lijst voorgelegd met stellingen als `wanneer ik lees voor dit vak, bedenk ik vragen om mijn aandacht erbij te houden' of: `steeds als ik bij dit vak een conclusie lees, bedenk ik of je ook iets anders kunt beweren'. Ze laten leerlingen dus zelf aangeven in welke mate ze gebruik maken van zelfstandige leermethoden. Sommige stellingen zijn negatief geformuleerd om sociaal wenselijke antwoorden zoveel mogelijk uit te sluiten. Toch houden Blom en Severiens wel rekening met dat laatste. ``Het zou natuurlijk kunnen dat allochtone meisjes meer sociaal wenselijke antwoorden geven. Maar dan kun je je ook afvragen waarom Nederlandse meisjes of allochtone jongens dat dan niet doen.''

Van de autochtone leerlingen in het onderzoek heeft ruim 70 procent ouders met een hbo of universitaire opleiding, van de allochtone leerlingen minder dan de helft. Turkse en Marokkaanse leerlingen hebben van de groep allochtone leerlingen de laagst opgeleide ouders. Maar het zijn juist die leerlingen die hoog scoren als het om zelfstandig leren gaat. En dan met name dus de meisjes. ``Als ze eenmaal op de havo of het vwo zitten zijn ze al aan het stijgen op de sociale ladder en dat motiveert'', beargumenteert Blom. ``We zien dat allochtone leerlingen sowieso gemotiveerder zijn dan autochtone leerlingen. Autochtonen hebben een meer consumptieve manier van omgaan met school: ze halen hun diploma omdat dat nou eenmaal moet. Voor allochtone meisjes is school waarschijnlijk de meest kansrijke, in elk geval de meest geaccepteerde manier om zich aan hun milieu te ontworstelen. Zonder conflicten thuis, want welke ouder klaagt nou als z'n kind het goed doet op school?''

Alleen op witte scholen gaat het zelfstandig leren allochtone leerlingen minder goed af. ``We gaan ervan uit dat allochtone leerlingen zich onzekerder voelen op witte scholen, omdat autochtone leerlingen beter zijn in bijvoorbeeld de taal.''

Het Pieter Nieuwland College in de Watergraafsmeer in Amsterdam, een school met havo, atheneum en gymnasium, heeft zo'n zestig procent allochtone leerlingen. Een kleine veertig nationaliteiten zijn op de school vertegenwoordigd. Al in 1996 begon het Pieter Nieuwland College met de invoering van het studiehuis als pedagogisch-didactisch concept. Momenteel krijgen de leerlingen in de hoogste klassen acht tot tien zelfstudie-uren per week. Dat met name allochtone meisjes raad weten met die uren, heeft conrector onderwijs en docent economie Dick Bruinzeel ook gemerkt. Zelfstandig leren gaat hen makkelijk af. Volgens Bruinzeel komt dat omdat ze veel meer geneigd zijn na te denken over de manier waarop ze leren dan bijvoorbeeld autochtone jongens. ``Autochtone jongens zijn pas bereid om naar hun aanpak te kijken als ze vastlopen met hun studie. Ze staan er liever niet bij stil. Maar juist bij zelfstudie is het belangrijk dat je nadenkt over hoe je iets aanpakt en of het misschien beter kan. Leerlingen moeten snappen wanneer ze iets uit hun hoofd moeten leren en wanneer het beter is dat ze kritisch de stof doornemen. Het ideaal van het studiehuis is dat leerlingen hun eigen docent worden. Allochtone meisjes nemen die rol denk ik het makkelijkst op zich.''

Ook Bruinzeel gelooft dat motivatie hier een rol speelt. Hij heeft het UvA-onderzoek nog even voorgelegd aan de vijf atheneumklas die hij vanochtend lesgaf. ``Een paar allochtone meisjes vertelden dat ze erg hun best doen omdat ze hun ouders niet teleur willen stellen. Ik merk ook tijdens ouderavonden dat veel allochtone ouders hoge verwachtingen hebben van hun kinderen. Een beetje dat gevoel hebben dat Nederlanders in de jaren vijftig hadden: mijn kind moet het beter hebben dan ik.'' Met Blom gelooft Bruinzeel dat school voor veel allochtone meisjes dé weg is naar onafhankelijkheid. ``Een Turkse leerlinge van wie ik mentor ben geweest, zei het me een keer letterlijk: dat als zij het goed deed op school, ze thuis ook meer ruimte kreeg.''

Lawaaischoppers

Het studiehuis heeft z'n voordelen als je gemotiveerd bent. Je kan in je eigen tempo werken, ongehinderd door de lawaaischoppers van de klas. Blom: ``Allochtone leerlingen kunnen zo hun achterstand inhalen. Dus in die zin kan het studiehuis verrijkend zijn.''

Toch werkt het niet zo. Hun beperkte woordenschat speelt allochtone leerlingen ook in de hoogste klassen van de havo en het vwo parten. Als het om presteren gaat, doen allochtone meisjes het helemaal niet zo goed. Blom en Severiens bepaalden het kennisniveau van de 650 leerlingen aan de hand van een test die de woordenschat meet en een test die wiskundig rederenen meet. Allochtone leerlingen en met name de meisjes scoren laag op beide testen. ``Dat vind ik behoorlijk verontrustend. Ze komen met een achterstand op school en die blijft hen ondanks hun inspanningen gewoon achtervolgen.'' Blom vindt dat de scholen meer aandacht moeten hebben voor de hiaten in de kennis die ook allochtone havisten en vwo'ers parten speelt. Ze vindt het de taak van docenten om hen in de basisvorming voldoende bij te spijkeren. ``Het is wel belangrijk dat je met een brede woordenschat het studiehuis ingaat.''