Het orakel van Vrij Atjeh

De propaganda-arm van de Beweging Vrij Atjeh maakt dankbaar gebruik van het gebrek aan geloofwaardigheid van de Indonesische regering. Zo komen de verhalen de wereld in.

Teungku Sofyan Dawod is dezer dagen de meest gezochte man van Indonesië. Niet alleen het Indonesische leger, maar ook de hele internationale pers zit achter hem aan. De militairen vissen nog steeds achter het net, maar kranten, radiostations en persbureau's hebben geen enkele moeite hem te vinden, want het nummer van zijn satelliettelefoon staat in alle belboekjes. Dawod zelf heeft een lange verzendlijst met perscontacten die hij bombardeert met communiqué's. Zijn adressanten en telefonische gesprekspartners weten evenmin waar hij uithangt, maar dat doet er niet toe, want de verlangde 'quotes' worden draadloos aangeleverd.

Dawod is de militaire woordvoerder van het Atjeh-Sumatra Nationale bevrijdingsfront, de gewapende arm van de Beweging Vrij Atjeh (GAM), in de wandeling AGAM. De man die zich, zoals de meeste kaderleden van de GAM, laat aanspreken als teungku, de Atjehse titel voor een religieuze notabele, grossiert in gladde teksten die bij de pers in binnen- en buitenland gretig aftrek vinden. De AGAM-troepen mogen dan door het Indonesische leger in het defensief zijn gedrongen en steeds meer voetvolk en commandanten achterlaten in het ruige terrein van Atjeh, in de propaganda-oorlog moet de regering van Indonesië het afleggen tegen Dawod.

Dinsdag sneuvelde Teungku Abdullah Syafi'ie (45), opperbevelhebber van de AGAM, in een vuurgevecht met een Indonesische legerpatrouille. In Atjeh wordt de dood van Syafi'ie beschouwd als een zware psychologische klap voor de GAM, maar Dawod maakt er een opsteker van. ,,De moord op Teungku Syafi'ie'', orakelt hij, ,,heeft diepe sympathie gewekt bij een meerderheid van de Atjehers en heeft onze strijdlust een enorme impuls gegeven''.

Dawod bakte het gisteren nog bruiner toen hij de uitschakeling van de lang als ongrijpbaar beschouwde commandant toeschreef aan een vuige list van het provinciebestuur. De pro-Indonesische gouverneur van Atjeh, Abdullah Puteh, stuurde Syafi'ie vorige week een brief, waarin hij hem uitnodigde voor een dialoog. Dat aanbod werd afgeslagen, want de GAM wil alleen praten met 'Jakarta', het machtscentrum van de 'Javaanse kolonialisten'. In de enveloppe zou Puteh volgens Dawod een 'chip' hebben verstopt, die het leger in staat had gesteld Syafi'ie's verblijfplaats te traceren. Een legerwoordvoerder stelde vast dat de Indonesische strijdkrachten ,,helaas niet beschikken over zulke geavanceerde technologie''.

The Jakarta Post bracht gisteren een staaltje eenzijdige berichtgeving door op de voorpagina over vijf kolommen een telefoongesprek met Dawod af te drukken als gold het nieuws. De kop: 'Moord op Syafi'ie vergroot strijdlust GAM'. Dawod en de zijnen kunnen om twee redenen scoren in de media. In de eerste plaats kampen regering en leger met een geloofwaardigheidsprobleem. Gedurende de laatste acht jaar van het autoritaire Soeharto-bewind trad het leger genadeloos op tegen de burgerbevolking van Atjeh die het beschouwde als 'heulers met de separatisten'. Volgens behoudende schattingen vielen er in die periode vijfduizend doden. De verantwoordelijke officieren zijn nooit ter verantwoording geroepen. Na de militaire aftocht die volgde op Soeharto's val dook de GAM in het vacuum en nam in de meeste districten de macht over. De bevolking geloofde aanvankelijk in de GAM-beloften. Als Atjeh 'vrij' zou zijn, zouden alle Atjehers een maandelijkse uitkering krijgen uit de aardgasbaten. Intussen moest eenieder meebetalen aan de 'strijd' via upeti (schatting). Dorps- en districtshoofden, officieren van justitie en rechters werden met dreigementen en sluipmoorden verjaagd. Die feiten haalden zelden de krant, want - de tweede reden van GAM's mediamieke hegemonie - de pers wordt gechanteerd. De enige krant van Atjeh, Serambi, mag sinds 1999 over de gewapende strijd alleen GAM-communiqué's afdrukken. Doet ze dat niet, dan worden bestelbusjes van de distributie in brand gestoken. De troepen die vorig jaar tegen de GAM werden ingezet, zijn beter getraind en ontzien doorgaans de burgerbevolking. Niet-gouvernementele organisaties, die de laatste jaren met steun van buitenlandse donoren als paddestoelen oprezen uit de Atjehse bodem, schrijven alle onverklaarbare doden echter op conto van leger en politie. Doen ze dat niet, dan maakt de GAM hen het werken onmogelijk en kunnen ze de donorgelden op hun buik schrijven. Ook in deze oorlog sneuvelt de waarheid het eerst.