Herman en de dood

Stier Herman gered – dat klonk alsof hij te water was geraakt en door iemand die erg goed kon zwemmen aan land werd gebracht. In werkelijkheid bestaat zijn redding hieruit dat Herman (zoals een dominee zijn hele leven dominee blijft, ook al is hij al jaren met emeritaat, zo zal Herman zijn hele leven stier blijven, ook al is hij al jaren gecastreerd) van een stal in Polsbroek naar een stal in Leiden verhuist en van een uithangbord voor Pharming in een uithangbord voor Naturalis verandert.

Een maand heeft de commotie dit keer geduurd, als een duikelaartje ging Herman heen en weer tussen leven en dood, en de uitkomst bewijst nog eens hoe bijzonder hij wel is.

In ons land worden 1,6 miljoen melkkoeien gehouden. Er worden per jaar dus ruwweg 1,6 miljoen kalveren geboren, waarvan de helft van het mannelijk geslacht: 800.000 stiertjes.

Voor volwassen stieren is hier nauwelijks plaats. Er staan er een kleine drieduizend op KI-stations. Daarvan wordt het gros niet ouder dan een jaar of zes; tegen die tijd staat vast wat ze foktechnisch gesproken waard zijn. Daarnaast zijn er nog vijf- tot zesduizend boeren die zelf een stier op stal hebben staan. Die (stieren) mogen ongeveer vier jaar oud worden; daarna zouden ze hun eigen dochters moeten bespringen.

Deze aantallen vallen al met al volkomen in het niet bij die jaarlijkse golf van 800.000. Je kunt wel zeggen dat die allemaal linea recta naar de kalvermesterij gaan, en na zeven tot negen maanden naar het slachthuis.

Puur op grond van zijn levensduur moet Herman dus als een enorme geluksvogel worden beschouwd. Hij is inmiddels elf. Hij heeft al minstens acht miljoen stiertjes overleefd, waarvan een heel contingent zelfs tien jaar later dan hij geboren was. Toch komen mensen, wanneer zijn dood in overweging wordt genomen, juist door Herman in het geweer. Herman heeft recht op leven. Herman mag niet na bewezen diensten worden afgedankt. Herman mag niet, wat voor talloze andere runderen volstrekt normaal is, worden meegesleurd in een bedrijfsbeëindiging. Herman moet een natuurlijke dood kunnen sterven.

Een natuurlijke dood? Bij een huisdier? Hoe zou zoiets eruit zien? Wachten we tot hij door zijn poten zakt en halen we dan de wolven uit Blijdorp erbij?

Hermans voorganger als sterstier, de onvolprezen Sunny Boy, mocht ook blijven leven. Hij werd bijna dertien en kreeg problemen aan de urinewegen. Op 27 december 1997 moest de veearts de dood een handje komen helpen.

Herman zelf werd indertijd gewonnen uit slachtafval. Voor Pharming was dat de goedkoopste manier om aan koeieneitjes te komen. Toen zijn natuurlijke moeder was leeggebloed, werden haar eierstokken verwijderd en in een thermosemmer naar het laboratorium vervoerd. Bij de bevruchting van deze eitjes werd tevens een menselijk gen ingebracht. De volgende negen maanden werd het werk gedaan door een draagmoederkoe.

Dat Herman als een zwarte blaarkop ter wereld kwam was toeval, net zoals het, bij de toenmalige stand van de techniek, toeval moet zijn geweest dat in zijn erfelijke materiaal dat menselijke gen werd aangetroffen. Bij géén van zijn generatiegenoten, in totaal werden in die fase negentien kalveren geboren, bleek dat verder het geval. Herman was de eerste transgene stier ter wereld, en hij bleef de enige.

Dat ene menselijke gen zou in koemelk bepaalde eiwitten aanmaken, lactoferrine en lysozyme. Er werd onderzoek gedaan naar de bruikbaarheid daarvan ter bestrijding van uierontsteking bij koeien. En deze melk werd alvast als een wondermiddel gepresenteerd tegen een hele waaier van menselijke ziekten, die allemaal met het immuunsysteem te maken hebben – van aids tot hemofilie en multiple sclerose.

Vandaar dat verschillende patiëntenverenigingen zich opwierpen als fanclub van Herman. Vandaar ook dat een bedrijf als Nutricia (in het diepste geheim, zoals ooit door NRC Handelsblad onthuld) tot aan zijn ellebogen in dit project zat – zij wilden die melk voor een verbeterde babyvoeding. En vandaar ook de warme belangstelling van de boeren – zij zagen hun koeien al als grazende geneesmiddelenfabriekjes, hun melk overgeheveld van de zuivelsector naar de farmaceutische industrie, mét de bijbehorende winstmarges.

Hoe niet alleen Herman maar ook het publiek werd gemanipuleerd, en hoe de politiek zichzelf manipuleerde (het ministerie van Landbouw was via een eigen onderzoeksinstituut direct bij het project betrokken) – je kunt het allemaal nalezen in Herman, het boek van Karel Glastra van Loon en Karin Kuiper uit 1995.

Dr. Herman de Boer, de eigenlijke verwekker van stier Herman, vindt dat overigens geen goed boek. Ik heb hem nog even gesproken en hij bestrijdt niet zozeer de feiten alswel de boosaardige opzet die hem erin wordt toegeschreven. Voor hem is de technologie geslaagd, het basispatent nog steeds goud waard, en zit het wansucces in de zakelijke en maatschappelijke context waarin gewerkt moest worden.

Goed, terug naar Herman, de stier. Al zijn generatiegenoten werden vroeg of laat afgemaakt en vernietigd. Al zijn dochters zouden dezelfde weg gaan. Uiteindelijk werden 55 dieren met zijn sperma verwekt. Ze mochten van de overheid, die de vergunningen steeds strakker aanhaalde, blijven leven tot ze honderd dagen melk hadden gegeven. Dat was in '96. Ook zij: afgemaakt en vernietigd.

En met Pharming zelf gaat het ook niet best. Biotechnologische bedrijven, dat waren de IT-fondsen van de jaren '90. Kapitalen aan geld en illusies zijn inmiddels zo'n beetje verdampt. Pharming heeft nog geen enkel product op de markt kunnen brengen. Voor zijn voortbestaan is het bedrijf nog steeds volledig aangewezen op investeerders. De Finse tak verkeert in faillissement, de Nederlandse heeft uitstel van betaling gekregen.

Vele tientallen miljoenen zijn in en rond Herman geïnvesteerd. Nu kwam zijn leven al in gevaar omdat Pharming, naar eigen zeggen, zijn huisvesting en onderhoud niet meer kon betalen – 45.000 euro per jaar.

In dit landschap van dood en mislukking staat Herman zelf nog fier overeind, een kolossaal monument van onschuld, of misschien moet je zeggen: van onwetendheid.

Ik heb hem vorige week in Polsbroek bezocht. Hij was me bijzonder vertrouwd. Ik ben jarenlang op gezette tijden wezen buurten bij de Molenaars en Cees had altijd precies zo'n stier op stal staan, een zwarte blaarkop. Alleen had die natuurlijk geen menselijk gen. Alleen was die natuurlijk nooit ouder dan vier, en dan is een stier wel volwassen, maar nog niet volgroeid. Precies zo'n stier dus, maar dan nog een maatje groter, dat is Herman. Kolossaal? Overweldigend!

Herman heeft een luxueus hok. Hij heeft bovendien gezelligheid van Belle en Holly, twee koeien die ook niks verkeerds hebben gedaan, behalve dan dat ze gekloond zijn, en die daar ook maar staan te wachten.

Herman liet zich uitgebreid aaien. Herman was lief voor me. Of hij was lief voor mijn jas, die heerlijk naar gras en wolken ruikt, en misschien ook wel naar koeien.

Marije de Vos verzorgt hem al zeven jaar lang. Ze zegt: `Ik hou van hem.' Kijk, dát is een argument waartegen niets valt in te brengen. Ik wil ook niet uitsluiten dat je dit argument kunt oprekken tot iets wat iedereen aangaat. De Nederlandse samenleving heeft zeker verplichtingen aan Herman, maar ik betwijfel of deze worden ingelost door het dier, op zijn leeftijd nog, tot een museumattractie te maken.

Wat me intussen weer wél heel toepasselijk lijkt: dat zijn bestaan voortaan gesponsord wordt door een apparatenfabriek en een uitvaartonderneming.