Een tas vol gouden tientjes

In mijn safeloket bij de bank ligt een stapeltje zilveren tientjes, gift van een familielid. Nu de euro zijn intrede heeft gedaan, dringt zich de vraag op wat er met die munten moet gebeuren: laten liggen of toch nog omzetten in een paar cd's.

Die vraag herinnert mij aan het veel grotere dilemma waar de schrijfster Madelon Székely-Lulofs in 1940 voor stond. Wat zou zij doen met haar duizend gouden tientjes, die voor haar de vervulling van een jeugddroom betekenden?

Madelon Lulofs' voorliefde voor goud stamde uit haar jeugd. Op twaalfjarige leeftijd, in 1912, werd zij van Nederlands-Indië naar Nederland gestuurd om naar de HBS te gaan. Haar vader liep na het afscheid al op de loopplank, maar hij bedacht zich. Hij haalde zijn beurs tevoorschijn en gaf zijn dochter een gouden tientje. Het zou haar als `een grandioos jeugdmoment' bijblijven.

Op haar negentiende trouwde ze en vertrok met haar man naar Deli (Sumatra) waar hij rubberplanter werd. De ervaringen die Madelon Lulofs daar opdeed zou ze `objectief' maar onverbloemd weergeven in haar romans `Rubber' (1931), `Koelie' (1932) en `De andere wereld' (1934). In `Rubber' beschreef zij hoe de planters leefden met hun inheemse huishoudster of snaar, hun onbarmhartige optreden tegen de contractkoelies en de moeizame gewenning van hun Europese vrouwen. Door de hoge rubberprijzen konden de planters zich in materieel opzicht vrijwel alles permitteren.

`Rubber' bracht niet alleen in Nederland en Indië een schok teweeg, maar ook in het buitenland. De literaire kritiek was tamelijk minzaam – zo vond Ter Braak het boek een damesroman – zeker zo belangrijk was de politieke uitwerking van het boek. Voor het eerst werden de wantoestanden in Indië onder een breed publiek onder de aandacht gebracht.

`Rubber' bleek een groot verkoopsucces: tienduizenden exemplaren werden in Nederland verkocht. Het boek leidde tot vragen in de Kamer. `Rubber' werd in vijftien talen vertaald en bereikte in Duitsland zelfs een oplage van tachtigduizend exemplaren. De toneelbewerking, door de schrijfster zelf, haalde tweehonderd voorstellingen, terwijl het al in 1935 op locatie verfilmd werd door Gerard Rutten en Johan de Meester.

Madelon Lulofs, die inmiddels met haar tweede man Laszó Székely in Boedapest woonde, beschikte in de eerste helft van de jaren dertig over een riant appartement, een buitenhuis en nog een behoorlijk bedrag aan contanten, ruim tienduizend gulden. Voor geld had de schrijfster echter geen belangstelling, want dat beschouwde ze slechts als `slijk', maar ze was het gouden tientje van haar vader niet vergeten. Daarom besloot ze in Nederland het `slijk' om te zetten in duizend gouden tientjes (het waren er 996). Bij een kantoor van De Twentsche Bank in Den Haag, waar ze de tientjes kocht, huurde ze een safeloket. Maar voordat ze de twee linnen zakken erin deponeerde, nam ze plaats aan het tafeltje voor de kluis en stortte het goud erop uit en liet vergenoegd haar handen door de berg munten gaan.

De tientjes bleven jarenlang onaangeroerd in de kluis, terwijl Madelon Lulofs met haar man en haar jongste dochter in Hongarije woonde. In 1938 oordeelde de schrijfster dat de politieke situatie in Midden-Europa te gevaarlijk werd. Zij verhuisde met haar gezin naar Nederland, waar zij hun intrek namen in een pension in Santpoort. Haar (joodse) man keerde later alleen terug naar Boedapest.

Na de inval van de Duitsers begaf Madelon Lulofs zich vanuit Santpoort op de fiets naar het bankkantoor in Bloemendaal, waarnaar ze de tientjes bij haar terugkeer naar Nederland had laten overbrengen. Op de bagagedrager was een stevige, lege tas gebonden. Bij de bank haalde ze haar gouden munten uit de kluis. De linnen zakken bleken te groot voor de tas, zodat de schrijfster de tientjes in de tas goot. Met de tas achterop reed ze naar haar pension in Santpoort.

Vanaf die dag bewaarde zij de tas op haar kamer, in een kast die niet op slot kon. Na een luchtalarm repte ze zich met haar tas naar de schuilkelder die aan het eind van de pensiontuin bevond. Op de ochtend van de vierde oorlogsdag struikelde ze. Ze hoorde vlakbij een granaat uit elkaar spatten en begaf zich ijlings naar de kelder. Tussen de andere gasten gezeten zag ze buiten haar tas staan, in een bed primula's. Dat was de dag van de capitulatie.

Korte tijd later vorderde de bezetter al het goud. Na de nodige aarzelingen besloot ze hieraan gehoor te geven – ze had veel joodse vrienden – en leverde haar tientjes in tegen contant geld. Na de bevrijding kocht Madelon Lulofs voor het bedrag een huis in Santpoort. In 1948 ontving de schrijfster tot haar verbazing een brief van de belastinginspecteur. Het bleek te gaan om een navordering, verhoogd met een forse boete, wegens het acht jaar lang – van 1932 tot 1940 – verzwijgen van een vermogen van tienduizend gulden.

Madelon Lulofs wist haar zaken meestal goed te behartigen. Afspraken over vertaal- en auteursrechten maakte ze in de regel zelf. Toch kwam de schrijfster van `Rubber' in de jaren vijftig in financiële moeilijkheden, doordat ze geen uitgever meer kon vinden. Haar laatste twee romans verschenen in afleveringen in Margriet. Drie maanden voordat het laatste boek volledig was gepubliceerd, overleed ze op 22 mei 1958 aan een hartaanval.