De duistere motieven van een rechtschapen duo

Na vier pogingen kreeg Salt Lake City eindelijk de Spelen. Of kochten de Amerikanen het recht het evenement te organiseren? Een reconstructie van het omkoopschandaal.

Met de vastbeslotenheid om niets aan het toeval over te laten arriveerden Tom Welch en David Johnson in 1989 op een gure novemberdag in Lausanne. De bladeren woeien van de bomen en het water in het Meer van Genève klotste in een onheilspellend ritme tegen de kade. De natuur etaleerde een symboliek die de twee Amerikanen toen onmogelijk konden begrijpen. Zij hadden er ook geen oog voor; er was immers een missie te voltooien.

Château de Vidy lag er bij aankomst vredig bij en Juan Antonio Samaranch bleek een aimabele gastheer. Terwijl hij koffie liet bezorgen, informeerde de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité (IOC) of de heren een goede reis hadden gehad; Salt Lake City ligt tenslotte niet naast de deur van het olympisch hoofdkwartier.

De Amerikanen kwamen snel ter zake. Of Zijne Excellentie – met die titel liet Samaranch zich bij voorkeur aanspreken – hen wilde adviseren over een succesvolle kandidaatstelling voor de Olympische Winterspelen in 1998. Als recentelijk aangestelde voorzitter (Welch) en vice-voorzitter (Johnson) van het kandidaatscomité waren zij nieuw in het metier. Het advies van de IOC-president was deels helder, deels cryptisch. Samaranch raadde zijn gasten aan zoveel mogelijk IOC-leden persoonlijk te leren kennen én om deel te gaan uitmaken van de `olympische familie'.

Een relatie opbouwen met IOC-leden is het probleem niet, zou later onbarmhartig blijken. Maar wie maken er deel uit van de olympische familie en hoe omvangrijk is die groep in hemelsnaam? Welch en Johnson kwamen vele jaren later tot de volgende definitie: individuen die op basis van een vertrouwensrelatie, wederzijdse steun en loyaliteit betrokken zijn bij de internationale olympische beweging, zoals IOC-leden met hun staven, de nationale olympische comités, de internationale sportfederaties en de atleten.

Met de daadkracht die Amerikanen eigen is en de zuiverheid die de mormonen in Salt Lake City kenmerkt gingen Welch en Johnson aan de slag. IOC-leden werden overal ter wereld opgezocht, tot in hun huis toe. Zij werden op hun beurt uitgenodigd voor een tegenbezoek aan Salt Lake City.

Het enthousiasme van het Amerikaanse duo sloeg al snel om in verontrusting, want veel IOC-leden bleken spilziek van aard. Welch en Johnson waren oprecht verbaasd als er weer een IOC-lid eerste klas naar de hoofdstad van Utah gevlogen wenste te worden en voor zijn of haar verblijf aan de voet van de Rocky Mountains met niet minder dan een vijfsterrenhotel genoegen nam. Het sprak voor zich dat ook de diners en het entertainment van hoog niveau moesten zijn. De presentjes werden met een zekere meewarigheid in ontvangst genomen, want voor olympische souvenirs voorzien van het olympische Salt Lake-logo of enkele potjes honing uit Utah trokken de meeste IOC-leden hun neus op.

Negentien maanden na hun bezoek aan Lausanne arriveerden Welch en Johnson in Birmingham. 15 juni 1991 moest de grote dag worden, de dag der verlossing, de dag dat de IOC-leden Salt Lake City zouden kiezen als stad waar in 1998 de Winterspelen gehouden zouden worden. In de Britse Midlands zou blijken wat het advies van Samaranch aan Welch en Johnson waard was geweest.

Niets dus, want Salt Lake City werd met een een stemverhouding van 46-42 verslagen door het Japanse Nagano. Welch en Johnson waren hun teleurstelling niet een-twee-drie te boven en wisselden die dag vele blikken van onbegrip. Vier stemmen tekort, hoe was het mogelijk? Maximaal geïnvesteerd, maximaal gedoneerd en dan resteert niets, helemaal niets.

Maar de antwoorden op tal van vragen vonden Welch en Johnson óók in Birmingham, waar de IOC-leden die week in vergadering bijeen waren. De delegatie van Nagano was namelijk net iets geraffineerder te werk gegaan dan die van Salt Lake City. Namens de Japanse stad vonden alle IOC-leden persoonlijk op hun hotelkamer een welkomstpakket, met onder andere een videocamera. Bovendien werd het IOC door Nagano bedacht met diverse donaties, waarvan die van vijftien miljoen dollar voor de bouw van het olympisch museum als het warmste familiegeschenk werd aanvaard. Welch maakte bovendien gewag van `duistere figuren', die hem de avond voor de stemming in ruil voor geld een stem van een IOC-lid konden verzekeren. Hij had geweigerd.

Terug in Salt Lake City had een grondige evaluatie plaats, waarbij vanzelfsprekend de strategie voor de volgende kandidaatstelling werd besproken. Indachtig de Nagano-aanpak werd besloten om het beleid te richten op het `hart' van de IOC-leden door persoonlijke vriendschappen met hen en hun familieleden te sluiten en door nog meer IOC-leden in Salt Lake City uit te nodigen. `Birmingham' was een eye-opener voor de Amerikanen geweest.

Voor Welch stond bovendien vast dat aan de basis van een succesvolle kandidaatstelling een kleine en slagvaardige organisatie moest staan. Hij kreeg van gouverneur Norman H. Bangerter van Utah steun om het kandidaatscomité te reorganiseren. Hij pleitte met succes voor een kleinere beheersstichting met fondsenwerving als hoofdtaak. Welch trad terug als stichtingsvoorzitter om zich te laten benoemen tot campagne-president met Johnson als zijn vervanger.

Om het veldwerk logistiek te kunnen uitvoeren werd onderling een gebiedsverdeling gemaakt, waarbij Welch zich zou concentreren op Afrika en Johnson op Europa. Vervolgens gingen de heren voortvarend aan de slag. De campagne voor 2002 was begonnen.

Het succes in juni 1995 was overweldigend: vier jaar na de mislukking van Birmingham lukte het Salt Lake City, na vier gemiste pogingen, de Winterspelen naar Utah te halen. De concurrenten tijdens de IOC-sessie in de Hongaarse hoofdstad Boedapest werden verpletterend verslagen. De stemverhouding met de drie andere steden sprak boekdelen: 54-14-7-7.

Op 11 december 1998 was het opnieuw koud in Lausanne, en klotste het water in het Meer van Genève weer onheilspellend tegen de kade. Binnen in Château de Vidy was sprake van grote opwinding. Het Zwitserse IOC-lid Marc Hodler had tegenover de pers gesproken. En zijn uitlatingen waren ronduit explosief.

Holdler kwam met beschuldigingen dat het campagneteam van Salt Lake City IOC-leden had omgekocht in ruil voor hun stem. En Hodler was niet zomaar iemand. De oud-jurist gold als een onkreukbaar, vooraanstaand IOC-lid, die lid was van de Executive Board van het IOC en – belangrijker – voorzitter van de coördinatiecommissie voor de Winterspelen van 2002. In die laatste functie had hij als IOC-gedelegeerde inzicht in de keuken van Salt Lake City. Nog diezelfde dag kondigde het IOC een onderzoek aan. Hét olympisch schandaal was geboren en de beerput ging open.

Tot op heden blijft de vraag onbeantwoord of Hodler op eigen gezag met de onthullingen kwam of dat de zaak was voorgekookt in het IOC-bestuur. De laatste optie lijkt aannemelijk, omdat de ontwikkelingen elkaar vervolgens in een moordend tempo opvolgden. De schoonmaak van het eigen huis was binnen een maand gefikst; daar moet welhaast een scenario voor klaar hebben gelegen.

Hoe dan ook, het IOC bleek over een redelijk zelfreinigend vermogen te beschikken, want naast het feit dat vier van omkoping beschuldigde IOC-leden eigener beweging aftraden, werden er nog eens zes voorgoed uitgesloten. Tot slot kregen tien IOC-leden berispingen van verschillende gradaties.

Tot die laatste groep behoorde ook de Nederlander Anton Geesink, die in opspraak kwam omdat Welch 5.000 dollar op de rekening van de stichting Vrienden van Anton Geesink had gestort. De oud-judokampioen kon aannemelijk maken dat hij het geld niet in eigen zak had gestoken, maar had gebruikt voor een Mobiele Olympische Academie. Welch had het bedrag gestort als een vergoeding voor zijn verblijf in Nederland op uitnodiging van de `Vrienden'. Geesink kwam er met de lichtste waarschuwing vanaf.

Het IOC schudde op zijn grondvesten; de hogere olympische idealen waren verkwanseld door IOC-leden die geld hadden ontvangen, studiebeurzen voor hun kinderen hadden gekregen, reizen hadden geaccepteerd, medische behandelingen kregen bekostigd of zelfs hun verkiezingscampagne voor het burgermeesterschap van een grote stad lieten financieren.

Welch en Johnson waren de spinnen in het web van Salt Lake City en degenen die zich uiteindelijk als hoofdverdachten van het omkopingsschandaal voor de Amerikaanse rechter moesten verantwoorden. Zij werden ervan beschuldigd in totaal één miljoen dollar smeergeld aan IOC-leden te hebben betaald. Welch en Johnson ontkenden, omdat zij zich aan de olympische mores van die tijd hadden gehouden. Die mening werd uiteindelijk gedeeld door een federale rechter in Utah, die beide voormalige kopstukken van het organisatiecomité in november van het vorig jaar vrijsprak.